kerk en recht

Nogmaals: ontheffing uit het ambt van ouderling of diaken

Eerder schreef ik over de voortijdige ontheffing uit het ambt van ouderling of diaken. Afgezien van tuchtmaatregelen regelt de kerkorde daarover niets. Ik meende – en meen nog steeds – dat dan, voor zover dat er is, het plaatselijk gewoonterecht in werking treedt. Dat betekent dat plaatselijke regels en gebruiken gevolgd dienen te worden. Het GCBG heeft vorig jaar anders geoordeeld in zaak 14/20 (vgl. 14/20 S).

De situatie en het oordeel in de spoedvoorziening

In een kerkenraad ontstaan onoverbrugbare verschillen van inzicht. Ongeveer de helft van de ambtsdragers geeft te kennen hun ambt te willen neerleggen. Dat is in dit geval met een enkele verklaring gebeurd. De betrokkenen hebben dus niet om ontheffing gevraagd, laat staan ontheffing gekregen. Het lijkt er sterk op dat dat in de desbetreffende kerkenraad (van een Gereformeerde Kerk) wel gebruikelijk was. In een spoedvoorziening (14/20 S) stelt de voorzitter van het GCBG vast dat er voor een predikant, anders dan bij ouderlingen en diakenen, geen kerkordelijk procedure is voorgeschreven. ‘Dat de kerkorde voor ouderlingen en diakenen niet dergelijke bepalingen bevat betekent niet (…), dat de kerkelijke regelgever aan het neerleggen van dit ambt geen (zware) eisen heeft willen stellen.’ (r.o. 5) In de ogen van de voorzitter is een enkele verklaring dus onvoldoende. In het onderhavige geval kwam daar nog bij dat de betrokken ambtsdragers bij een volgende kerkenraadsvergadering hadden geprotesteerd dat zij niet uitgenodigd waren.

De uitspraak

Het GCBG komt echter tot een andere uitspraak dan de voorzitter. Dat meent dat er bij het neerleggen van het ambt door een niet-predikant ‘geen vormvoorschriften gelden’ (14/20, r.o. 6.1), zij het dat bij ‘de beoordeling van van verklaringen en gedragingen (…) een zekere terughoudendheid [past], met name indien deze kennelijk (kunnen zijn beïnvloed door emoties en de ambtsdrager na overdenking binnen een redelijke termijn terugkomt van het besluit om het ambt neer te leggen.’ Volgens het GCBG hebben de betrokken ambtsdragers zich in hun stelling na de mededeling het ambt neer te leggen maar nog steeds ambtsdrager te zijn ‘uitsluitend beroepen op de niet bestaande regel dat ontslagbrieven en acceptatie door de kerkenraad vereist zijn om het ambt neer te leggen.’ (r.o. 6.2)

Commentaar

Het GCBG houdt in deze uitspraak op geen enkele wijze rekening met plaatselijk gewoonterecht. Ik acht dat risicovol. Juist het kerkelijk leven is vol van ongeschreven tradities die de gang van zaken bepalen. Dat gewoonterecht kan maken dat bepaalde verwachtingen – zoals in casu een noodzakelijke instemmende reactie bij een mededeling tot neerleggen van het ambt – gerechtvaardigd zijn.