kerk en recht

Een structurele weeffout? Over de bovenplaatselijke beheerscolleges

Vandaag verscheen een richtlijn solvabiliteitsverklaring, opgesteld door het Generaal College voor de Behandeling van Beheerszaken (GCBB), bedoeld voor de Classicale Colleges voor de Behandeling van Beheerszaken (CCBB), als een dergelijk classicaal college wordt gevraagd een zogenaamde solvabiliteitsverklaring af te geven. Kortom gaat het dan om de vraag, of een gemeente een predikant mag beroepen en voor hoeveel fte. Direct kwamen een aantal twitterende collega’s in het geweer. De lat ligt namelijk hoog. Een gemeente moet met een meerjarenraming kunnen aantonen de te beroepen predikant voor acht jaar te kunnen betalen. Bovendien moet er zicht zijn op het daarna nog eens drie jaar kunnen doorbetalen van de predikant in de gevraagde formatie. Concreet betekent dat dat in voorkomend geval een gemeente die nu een verklaring aanvraagt binnen zekere grenzen kunnen aantonen de predikantsplaats nog elf jaar te kunnen financieren, dus tot en met 2033. Daarbij staat overigens wel nadrukkelijk aangegeven dat onder bepaalde voorwaarden ook ‘vermogen’ mag worden ingezet. Toch rijst al snel: past deze sterk financieel georiënteerde manier van vooruitkijken wel in de kerk? Zouden ook niet inhoudelijke zaken mee moeten wegen?

Goede gronden

Laat ik om te beginnen stellen dat ik aan wil nemen dat het GCBG financieel gezien de richtlijn op goede gronden heeft uitgebracht. Het zou me niet verbazen als het in den lande op verschillende plaatsen uit de hand loopt. De mobiliteit van predikanten houdt zeker in een deel van de kerk niet over. Predikanten blijven om uiteenlopende redenen gedurende langere tijd in een gemeente, waardoor bij teruglopende ledentallen en bijdragen op den duur de situatie zonder aanvullende maatregelen – zoals samenwerking met een buurgemeente – financieel penibel wordt. Het recente SCP-rapport over religie in de Nederlandse samenleving biedt weinig hoop op structurele veranderingen op korte termijn. Bij het aangaan van verplichtingen op (mogelijk) langere termijn is daarom voorzichtigheid geboden.

Plaatselijke checks and balances

Op plaatselijk niveau is het de kerkenraad die besluiten neemt. De vermogensrechtelijke colleges voegen zich voor het beleid (zorg) naar die kerkenraadsbesluiten. Voor de uitvoering van het beleid (verzorging) hebben ze een ruime eigen discretie, hoewel ook daarvoor een aantal checks and balances is ingebouwd om ervoor te zorgen dat de gemeente als samenhangend geheel blijft functioneren. Niet voor niets zijn het colleges en geen commissies. Het College van Kerkrentmeesters en het College van Diakenen hebben in belangrijke mate een eigenstandige verantwoordelijkheid.

Bovenplaatselijke colleges

Op bovenplaatselijk niveau ligt dat anders. Zowel het GCBB (sinds de kerkordewijziging van 2018, zie ook ord. 11-23-4) als de CCBB’s zijn op grond van kerkordelijke bepalingen ingesteld en werken parallel aan ambtelijke vergaderingen. Ze hebben daarbij een verregaande zelfstandigheid. De benaming ‘college’ wijst daar ook op. Zelfstandig werken kon bij de CCBB’s (en hun voorgangers, de Regionale Colleges voor de Behandeling van Beheerszaken) ook prima, nodig ook om een hoge mate van onafhankelijkheid te waarborgen. Een van hun belangrijkste taken was en is te waarborgen dat er op zorgvuldige wijze met de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk worden omgegaan, in het bijzonder van die van plaatselijke gemeenten (vgl. de centrale taak van het ‘toezien op de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden’, ord. 11-21-1). In de afgelopen jaren is de bovenplaatselijke bemoeienis met vermogensrechtelijke aangelegenheden toegenomen. Zo is er een nieuwe Generale Regeling vastgesteld met nieuwe bevoegdheden en is, zoals aangegeven, met het GCBB een nieuw, landelijk orgaan in het leven geroepen. Ook dat alles heeft goede redenen. De gevoeligheid in de samenleving voor verantwoord bestuur is toegenomen, zeker waar het financiën betreft. De regelgeving is aangescherpt, bijvoorbeeld ook waar het om de ANBI-beschikking gaat (vooral van belang voor de giftenaftrek). De PKN moet niet het risico willen lopen haar groepsbeschikking kwijt te raken vanwege klungelig gedrag op plaatselijk niveau.

Geïntegreerde aanpak

De richtlijn solvabiliteitsverklaring roept bij mij de vraag op, of we in de PKN niet een grens aan het overgaan zijn voor wat betreft het zelfstandig optreden van de genoemde bovenplaatselijke vermogensrechtelijke colleges. Het is bij de solvabiliteitsverklaring en de daarmee samenhangende vermogensrechtelijke aangelegenheden natuurlijk altijd ook een kwestie van beleid geweest. Maar het gaat nu wel heel ver. Verantwoord elf jaar vooruit kijken … . Dat op zich al kan een al te voorzichtig handelen bewerkstelligen. Ik besef dat de kerk van idealen alleen niet kan leven, althans niet in verreweg de meeste huidige vormen van kerkzijn en zeker niet als een arbeidsrelatie wordt aangegaan zoals met een predikant. Maar het doel van kerkzijn, noties als geloof en hoop zijn in de richtlijn wel erg ver uit zicht geraakt. De doelen zijn vermogensrechtelijk van aard geworden, waar het vermogen primair een middel is. In de richtlijn is in het beoordelingsproces door een CCBB ‘indien nodig, regelmatig’ overleg met het Breed Moderamen van de Classicale Vergadering (BMCV) voorzien. Mijn vraag zou zijn: kan het nog wel op deze manier, met een puur financieel/vermogensrechtelijk, welhaast bedrijfsmatig advies? Zouden we niet toe moeten naar een geïntegreerd oordeel op regionaal niveau, waarbij een BMCV in alle gevallen het laatste woord heeft, net als op plaatselijk niveau de kerkenraad dat heeft. Dat sluit goed aan bij de taken die het BMCV ook nu al heeft in het beroepingswerk, nagaan of de werktijd voor de te beroepen predikant past bij de beoogde werkzaamheden en of in voorkomende gevallen in voldoende mate gezocht is naar samenwerking met andere gemeenten (ord. 3-3-1). Zo komt er een samenhangende eindafweging.

Dit zijn zo wat eerste gedachten. Ongetwijfeld is er meer over te zeggen en zijn er andere oplossingen om te komen tot een samenhangende kijk op de toekomst van de kerk en haar gemeenten.