kerk en recht

Mag de doop van een kind geweigerd worden?

Zo nu en dan duikt de vraag op: mag de doop van een kind geweigerd worden? Bijna altijd hoort daar een verhaal bij. Over een of beide ouders. Over de betrokken gemeente en de kerkenraad. Over de predikant die de doop zou bedienen. Het heeft ook alles te maken met geloof en theologie. Wat is de basis voor de kinderdoop? Wat zijn van daaruit de criteria om te mogen of zelfs te moeten weigeren? In deze blog leg ik de nadruk op de kerkordelijke kant van de zaak. Ook de kerkorde biedt namelijk enkele handvatten, zowel inhoudelijk als formeel.

Kerkordelijke basisbepalingen

De kerkorde kent twee, elkaar aanvullende en in evenwicht houdende bepalingen. De ene is: ‘De gemeente wordt in de eredienst en in de herderlijke zorg opgewekt tot de viering van de doop, in het bijzonder van de doop van de kinderen van de gemeente.’ (ord. 6-1-1) De andere volgt direct daarop en luidt: ‘De kerkenraad ziet erop toe dat de doop in de gemeente heilig wordt gehouden.’ (ord. 6-1-2) Beide bepalingen komen in de kern ook al voor in de hervormde kerkorde van 1951. Maar de volgorde is daar omgekeerd: eerst het heilig houden, dan het opwekken tot de doop. Bovendien is het opwekken tot de doop er wat zakelijker, wat zuiniger geformuleerd. De omkering in de PKO van 2004 zal geen toeval zijn. De nodiging om te (laten) dopen is royaal gesteld.

Verzoek om te laten dopen

De basis om een kind, in het bijzonder een zuigeling, te laten dopen is een verzoek van de ouders, of tenminste een van de ouders (ord. 6-2-2). Als het slechts een van de twee ouders is, en de ander (eigenlijk) niet wil, is dat juridisch gezien niet helemaal zonder problemen, maar dat laat ik hier buiten beschouwing (vgl. hier het artikel wat ik ooit over deze situatie schreef). Het begint dus met een verzoek en het daarin verwoorde verlangen. De kerkorde gebruikt het wat klassiek getinte ‘begeren’.

De beoordeling van het verzoek

De vraag is, hoe een verzoek moet worden beoordeeld. Het is goed denkbaar alle aandacht uit te laten gaan naar de vraag op zich. Dopen is in grote delen van ons land niet vanzelfsprekend meer. Als de vraag dan al gesteld wordt, dan mag die vraag als zodanig serieus genomen worden. Er valt echter ook wel wat voor te zeggen de reden voor het stellen van de vraag te onderzoeken. Sterker nog: dat ligt niet minder voor de hand, juist als de vraag serieus genomen wordt. Wat brengt jou, jullie, er juist nu toe een kind te laten dopen, alle vanzelfsprekendheid voorbij? De toon is dan natuurlijk wel van belang. Het is niet uit een soort van wantrouwen, maar juist vanuit oprechte interesse dat een kerkenraad daar nader over wil spreken. Ofwel: laat in alles ord. 6-1-1 en de vreugde die daarin impliciet wordt verwoord, voorop gaan. Maar ook dan geldt: het kan niet gelezen worden zonder ord. 6-1-2: we willen de doop heilig houden. Een goed gesprek zal aan beide bijdragen.

Waar het bij de doopouder(s) om het begeren van de doop gaat, gaat het bij de kerkenraad heel praktisch om het voeren van ‘een gesprek over de betekenis van de doop’ (ord. 6-2-2). Bij ‘een’ in ‘een gesprek‘ gaat het om een lidwoord, niet om een telwoord. Bij ‘gesprek’ moet niet zozeer aan een bepaald moment gedacht worden, maar aan ‘spreken over’. Met andere woorden: het kan ook om meer ontmoetingen gaan. Daar zit echter wel een grens aan. In de NHK kreeg indertijd een kerkenraad die herhaalde bezoeken bracht en nog verder op de betekenis van de doop wilde ingaan, de opdracht het betrokken kind bij de eerstvolgende gelegenheid te dopen, of althans daarvoor in een andere gemeente toestemming voor te geven (GCBG NHK 5/85). Het zal geen toeval zijn dat het in ord. 6-2-2 gekozen is voor ‘een gesprek’ en niet voor catechese of onderricht. De wijze waarop de ‘de betekenis van de doop’ aan de orde komt is niet die van de zender/spreker en ontvanger/luisteraar (ook in meer traditionele catechese zal dat trouwens zelden meer het geval zijn). Zowel de ouder(s) als de afvaardiging van de kerkenraad hebben een actief aandeel in de ontmoeting. Het gesprek zal ook niet anders gevoerd kunnen worden dan tegen de achtergrond van het getoonde verlangen te laten dopen.

Weigeren?

De kerkenraad mag in beginsel weigeren. Ord. 6-2-1 maakt dat op twee manieren duidelijk. Meer in het algemeen wordt gesproken over de ‘verantwoordelijkheid’ van de kerkenraad ‘voor de bediening van de doop’ (vgl. ook het ‘heilig’ houden in ord. 6-1-2). De tweede volzin hanteert echter het woord ‘toelating’, waarbij richtlijnen van de synode gehanteerd moeten worden (die zijn er overigens niet, althans niet van de PKN). Hieruit kan worden afgeleid dat een kerkenraad in concrete gevallen te besluiten heeft over al dan niet toelaten. Hoewel dit zelden een echte vraag zal zijn, is het vanwege deze mogelijkheid alleen al wijs dat het hiervoor besproken gesprek in beginsel door twee kerkenraadsleden gevoerd dient te worden (onder wie de predikant). Twee horen meer dan een.

Hoewel de kerkenraad dus in beginsel kan weigeren, is er in de motivatie daarvoor een krachtige beperking. Het weigeren van de doop mag geen tuchtmiddel zijn, eenvoudigweg omdat het in ord. 10 niet als zodanig genoemd wordt. Het is dus niet de bedoeling dat door het weigeren van de doop een bepaald gedrag wordt afgedwongen, bijvoorbeeld eerst alsnog trouwen als dat niet het geval is.

Zelfs het niet kunnen beantwoorden van de doopvragen is niet zonder meer een reden om de doop te weigeren. In dat geval kijkt de kerkenraad, of er geen anderen zijn ‘die bereid zijn (mede)verantwoordelijkheid te dragen voor de geestelijke vorming van het kind.’ (ord. 6-3-4) Uit ord. 6-2-4 wordt duidelijk dat in sommige gemeenten iemand belijdend lid moet zijn om de vragen te kunnen beantwoorden, in andere dooplid. Het minimum is echter het dooplidmaatschap. Het kan dus niet zo zijn, dat beide ouders ongedoopt zijn. Maar zelfs dan, àls er op een of andere manier het verlangen bestaat te laten dopen, dan moet een kerkenraad mijns inziens de mogelijkheid van ord. 6-3-4 serieus overwegen.

In zijn algemeenheid gesproken zal een kerkenraad slechts bij zeer hoge uitzondering kunnen weigeren, wat mij betreft ook dan bij voorkeur impliciet. Daar bedoel ik mee dat het de voorkeur verdient dat ouders zelf tot de conclusie komen dat ze in de gegeven omstandigheden beter niet kunnen laten dopen, in zijn geheel niet of niet in deze gemeente. Dopen is niet los verkrijgbaar. Het vindt plaats in het kader van een gemeenschap, zowel van een concrete plaatselijke gemeente als Gods wereldwijde kerk. Het lijkt me dat grenzen bereikt worden als ouders zich letterlijk en figuurlijk afkeren van de kerk. Of als echt louter gaat om de grootouders van het kind te plezieren. Maar zelfs dan is het mijns inziens de opdracht van de kerkenraad en in het bijzonder van de predikant om te zoeken, of daar toch niet een zodanige betekenis aan gegeven kan worden, dat dopen verantwoord is. Zo zie ik ook het eerder genoemde gesprek over de betekenis van de doop: er is een verlangen opgekomen om te laten dopen, kan dat verlangen weerklank vinden in Gods kerk?