kerk en recht

Puzzelen met de kerkorde (PKN)

Deze blog is eerder, op 20 augustus 2014, geplaatst op de blog http://bloggen.kwdejong.nl

 

De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland kent tal van bepalingen. Daar kun je op verschillende manieren naar kijken. Zijn ze begrijpelijk, bruikbaar, passen ze in het systeem? Zo zijn er vele vragen te stellen. Ik haal in dit blogartikel één artikel voor het voetlicht dat niet direct duidelijk is. Het is ordinantie 4-6-5: ‘Wanneer de helft van het aantal ambtsdragers of ontbreekt of buiten functie is, bepaalt het breed moderamen van de classicale vergadering na overleg met de nog functionerende ambtsdragers (…) op welke wijze de in de ordinanties genoemde taken kunnen worden verricht.’ Deze bepaling staat in ordinantie 4, die handelt over de ambtelijke vergaderingen. Ze maakt onderdeel uit van de tweede afdeling, waar het gaat over de kerkenraad. Artikel 6 van de ordinantie regelt de samenstelling van de kerkenraad. In mijn gedrukte versie (2013) is er met de nummering van de leden van het artikel wat mis gegaan. Het lijkt te vallen onder lid 3a en heeft dan als sublid de letter b. De internetversie van de kerkorde op www.pkn.nl laat zien dat het  lid 5 moet zijn.

Bij eerste lezing

Bij een eerste, oppervlakkige lezing is duidelijk dat ordinantie 4-6-5 een voorziening bedoelt te geven voor die situaties waar de samenstelling van de kerkenraad niet in overeenstemming is met het aantal dat (in de plaatselijke regeling) is vastgelegd. Dat kan allerlei oorzaken hebben. Het lukt de kerkenraad eenvoudigweg niet meer om alle plekken gevuld te krijgen. Maar het kan ook om een noodsituatie gaan, waarin een flink deel van de kerkenraad aftreedt en er dus zelfs geen basis meer is om rechtsgeldig nieuwe ambtsdragers te benoemen. Bij de eerste lezing valt nog iets op: ‘Wanneer de helft (…) ontbreekt’. Dat suggereert dat alleen als exact de helft ontbreekt, de bepaling in werking treedt. Dat zou betekenen dat in alle gevallen waarin de plaatselijke regeling een oneven aantal ambtsdragers telt, de bepaling niet in werking kan treden. Immers, het kan nooit zo zijn dat exact de helft ontbreekt. Maar ook bij een even aantal stuit ik op een probleem. Wat nu als meer dan de helft ontbreekt? Mag het breed moderamen van de classis dan niet ingrijpen?

De kerkorde zelf helpt niet verder. Het woordje ‘helft’ komt slechts op een andere plaats voor (ordinantie 4-5-4, zie hieronder), maar daar is met ‘tenminste de helft’ de bedoeling glashelder. Er zijn enkele bepalingen met een getalsmatig ‘minder’, bijvoorbeeld ‘minder dan’ zoals in ordinantie 3-26-3 en 4-6-4, of ‘meer dan’, zoals in ordinantie 2-5-2 en 2-16-1. In al die gevallen is de bedoeling duidelijk.

Nadere lezing en uitwerking

In een geval als dit wil het naslagwerk Toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (Zoetermeer: Boekencentrum 2013) onder redactie van P. van den Heuvel nog wel eens een hint bieden. Daar lees ik op p. 176 als uitleg: ‘minder dan de helft van het reguliere aantal ambtsdragers is nog aanwezig of in functie.’ De Toelichting is gezaghebbend, maar klopt dit? Deze interpretatie wijkt wel erg ver af van de kerkordetekst. Willen we recht doen aan ‘Wanneer de helft (…) ontbreekt’, dan zou er in de interpretatie toch iets moeten staan als ‘de helft of minder’. Bij een oneven aantal kerkenraadsleden betekent dat het volgende. Stel er zouden er 13 moeten zijn. Er zijn nog 6 in functie. In dat geval kan gezegd worden dat de helft (6,5) ontbreekt of buiten functie is. Het is in dit geval alleen meer dan de helft (6,5 + 0,5 = 7), maar met wat goede wil kunnen we blijven volhouden ook dan de helft ontbreekt. Spannender wordt het bij een even aantal ambtsdragers. Stel er zouden er 14 moeten zijn. Er zijn nog 7 in functie. In dat geval wordt exact voldaan aan de bepaling: de helft ontbreekt. Het lijkt erop dat de zaak daarmee klip en klaar is. Toch zit hier naar mijn overtuiging nog een addertje onder het gras. Ordinantie 4-5-4 bepaalt ten aanzien van de besluitvorming van kerkelijke lichamen als de kerkenraad: ‘Geen besluiten kunnen worden genomen indien niet ten minste de helft van het aantal leden zoals dit voor het kerkelijk lichaam is vastgesteld, ter vergadering aanwezig is.’ Vertaald naar de situatie waarin 7 van de 14 kerkenraadsleden in functie zijn: als deze 7 leden alle op de vergadering verschijnen, kunnen rechtsgeldige besluiten worden genomen. Er is dus strikt genomen geen aanleiding voor het ingrijpen van het breed moderamen van de classis. De kerkenraad kan, zij het ternauwernood, in beginsel nog steeds alle benodigde besluiten nemen. Welke regel gaat nu voor? Die van ordinantie 4-5-4 waar de wil van de kerkenraad in deze situatie wet is, of die van ordinantie 4-6-5 die het breed moderamen de bevoegdheid geeft de kerkenraad te overrulen? Het recht heeft voor situaties als deze de regel dat de lex specialis, de bijzondere regel, vóór de algemene gaat. De bijzondere regel heeft dan betrekking op de bijzondere situatie dat de helft van de ambtsdragers ontbreekt of niet in functie is. Die schuift de algemene regel over de besluitvorming terzijde, al stelt het genoemde handboek van Van den Heuvel dat het breed moderamen deze ambtsdragers ‘als regel zoveel mogelijk inschakelen’ zal (p. 176). Een en ander neemt niet weg dat ik de vraag zou willen stellen of ordinantie 4-6-5 wel als een specialis van 4-5-4 beschouwd kan worden. Het gaat om heel verschillende zaken, om samenstelling, respectievelijk besluitvorming.

Wetsgeschiedenis

Om een vollediger beeld te krijgen ben ik vervolgens in de wetsgeschiedenis van ordinantie 4-6-5 gedoken. In de eerste openbare versie van de kerkorde van de Protestantse Kerk (Ontwerp-ordinanties behorende bij de ontwerp-kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, 1997), lees ik: ‘Wanneer het aantal ambtsdragers zodanig is gedaald dat het de kerkenraad niet mogelijk is alle in de ordinanties aangegeven taken te verrichten, bepaalt het breed moderamen van de classicale vergadering (…) op welke wijze in dit manco zal worden voorzien.’ Bij de behandeling werd van verschillende kanten gevraagd om concretisering. Wanneer is het aantal ambtsdragers nu zodanig, dat moet worden ingegrepen?

Iemand verwees indertijd naar de Hervormde kerkorde. Daar was in onder meer ordinantie 1-3-6 geformuleerd: ‘Indien meer dan een derde van het aantal ambtsdragers, dat de kerkenraad (…), ontbreekt of tijdelijk buiten functie is, delegeert (…) het breed moderamen der classicale vergadering’.  Dit aantal correspondeerde met het quorum dat een kerkenraad met ten hoogste 15 leden – N.B. voor grotere kerkenraden golden andere regels – volgens ordinantie 1-21-10 van de Hervormde kerkorde nodig had voor een rechtsgeldig besluit. In de Hervormde kerkorde liepen de bepalingen over samenstelling en besluitvorming voor kleine en middelgrote kerkenraden wat dit betreft dus gelijk op. Het lijkt ook de eerder geciteerde interpretatie in de Toelichting op de kerkorde beïnvloed te hebben. Deze is van de van oorsprong Hervormde P. van den Heuvel. In de Hervormde kerkorde was het ‘meer dan een derde’, ofwel minder dan tweederde. Dat lijkt hij een op een te hebben overgezet op de vergelijkbare bepaling uit de Protestantse kerkorde.

Genoeg hierover. Terug naar de wetsgeschiedenis van ordinantie 4-6-5 in de Protestantse kerkorde. In een vrij laat stadium, 2002, is de oorspronkelijke bepaling gewijzigd in de huidige. Afgezien van de wens om de oorspronkelijke bepaling te concretiseren, valt er helaas weinig te vinden over de wijze waarop ze gelezen dient te worden.

Conclusies

Als ik het geheel overzie, dan kom ik ten aanzien van de bepaling van ordinantie 4-6-5 tot het volgende.

  • De formulering van deze ordinantie 4-6-5 is de enige in zijn soort in de kerkorde.
  • In deze bepaling zal ‘de helft’ gelezen moeten worden als ‘de helft of minder dan de helft’.
  • De bepaling kan in strijd komen met ordinantie 4-5-4. In dat geval zal doorgaans worden aangenomen, dat ordinantie 4-6-5 als lex specialis voorrang zal hebben. Daarbij zijn echter vragen te stellen.
  • De wetsgeschiedenis laat zien dat beide artikelen ooit met elkaar samen hingen: in de Hervormde kerkorde correspondeerde de inhoud van beide artikelen met elkaar.
  • In de ontstaansgeschiedenis van de kerkorde van de PKN heeft men de samenhang losgelaten, al dan niet bewust.
  • Dit neemt niet weg dat zeker in kleine gemeenten zelfs met inachtneming van ordinantie 4-5-4 de basis voor besluiten klein is. Neem een kerkenraad met het kerkordelijk minimum van 7 leden. Er zijn 4 aanwezig: voldoende voor besluiten, maar de basis is wel erg smal.
  • De ratio van de Hervormde kerkorde om voor kleine en middelgrote kerkenraden voor besluitvorming het minimum aantal in functie zijnde leden op tweederde te stellen is daarom alleszins begrijpelijk. Bij het kerkordelijk minimum van 7 leden zou dat 5 zijn.
  • In de Protestantse Kerk worden ondanks schaalvergroting op het niveau van (wijk)gemeenten kerkenraden snel kleiner. Het risico voor een zeer smalle basis voor ingrijpende besluitvorming is daarmee, ondanks de verdere waarborgen die de kerkorde voor de Protestantse Kerk nu anders dan de Hervormde kerkorde voorheen biedt (zoals met name het verplichte kennen en horen van de gemeente in een specifiek aantal gevallen), snel groter aan het worden.
  • Op grond van het voorgaande verdient het overweging in ieder geval de redactie van ordinantie 4-6-5 te herzien.
  • Daarbij dient tevens overwogen te worden zeker voor kleine en middelgrote gemeenten de grens op te trekken van ‘de helft of minder dan de helft’ tot ‘minder dan tweederde’.
  • Dit kan ordinantie 4-5-4 onverlet laten. Vanwege de helderheid van de regelgeving verdient het echter aanbeveling de normen van beide bepalingen op elkaar aan te laten sluiten.