kerk en recht

Opnieuw: de vrijheid van het (predikants)ambt

Ik schreef al eens over de vrijheid van het (predikants)ambt. Het begrip van vrijheid komt bijna wat terloops sprake in ordinantie 3-5-3: ‘Bij het opstellen van de beroepsbrief wordt rekening gehouden met de vrijheid van het ambt van predikant als dienaar des Woords.’ Het wordt niet ingevuld. De vraag is, of het betrekking heeft op álle predikantswerkzaamheden of vooral of zelfs uitsluitend op de eredienst. De term ‘dienaar des Woords’ als zodanig lijkt op ‘vooral of zelfs uitsluitend op de eredienst’ te wijzen.

Onlangs heeft de synode in het kader van de ambtsdiscussie en de predikant-pastor in eerste lezing een groot pakket kerkordewijzigingen besproken en grotendeels aangenomen. Eerder heeft de synode aan de hand van een uitgebreide notitie van het GCKO de vraag besproken of de overkoepelende term voor zowel de HBO- als WO-opgeleide predikant niet (weer) ‘dienaar des Woords’ zou moeten worden. De conclusie was dat dit beperkt zou moeten blijven tot ‘een/enkele plaatsen in de ordinanties’. Als eerste wordt in het besluit concreet genoemd ordinantie 3-9-1, alsmede 3-15-1 als optie. Vreemd genoeg blijft ordinantie 3-5-3 ongenoemd, mogelijk omdat de term daar al gebruikt wordt. Maar dat terzijde.

In de eerste lezing zoals die nu is aanvaard staat in ordinantie 3-9-1: ‘Tot opbouw van de gemeente is aan de predikanten als dienaren van het Woord toevertrouwd’, en dan volgen de taken. In dat vervolg krijgt de eredienst een sterke nadruk, maar ook is er nadrukkelijk ruimte voor andere zaken als catechese en toerusting, het missionaire werk, herderlijke zorg en opzicht. Doordat ‘dienaar des Woords’ zowel in ordinantie 3-5-3 als hier wordt gebruikt, ontstaat een vermoedelijk onbedoeld effect. In 3-5-3 wordt de vrijheid verbonden aan ‘het ambt van predikant als dienaar des Woords’. Door het vrijwel exact herhalen hiervan, namelijk ‘predikanten als dienaren van het Woord’, met een toevoeging van de taken die predikanten in deze hoedanigheid hebben, krijgt de genoemde vrijheid een uitwerking in in beginsel alle in de kerkorde aan predikanten toevertrouwde taken.

In de eerdere blog kwam ik tot de conclusie: ‘Op grond van het voorgaande ga ik ervan uit dat de vrijheid van het ambt alle werkzaamheden van het (predikants)ambt betreft, maar dat de verantwoordelijke ambtelijke vergadering in het bijzonder terughoudendheid betracht waar het de bediening van Woord en sacrament betreft.’ Dat wordt door deze wijziging in de kern niet anders. Tegelijk heb ik op grond van de voorgestelde wijziging aan te nemen dat terughoudendheid op gelijke wijze van toepassing is op al het predikantswerk. Dat past bij de idee van het geordineerde ambt dat de synode in haar ambtsvisie omarmd heeft (maar waar ik dus in relatie tot de vigerende kerkorde zo mijn vragen bij heb: zie onder meer dit artikel). De predikant is in deze visie een tegenover van de gemeente en van de zogenaamde gemeenteambten ouderling en diaken. Op zich is de wijziging dus niet meer dan logisch. Niettemin kan makkelijk spanning optreden met de lijn die de kerkenraad heeft uitgezet, onder meer in het beleidsplan.

https://protestantsekerk.nl/download28303/19%20-%20Rapport%20over%20de%20aanduiding%20van%20een%20ambt.pdf