De kerkorde geeft een aantal concrete antwoorden op deze vraag. Het commentaar van Bos & Koffeman 2019 noemt ze (112): ambtsdragers in gemeenten met wijkgemeenten voor de gemeente als geheel, ambtsdragers die lid zijn van een commissie die leiding geeft aan een missionaire (wijk)gemeente, kerkelijk werkers die in het ambt bevestigd worden en de ambtsdragers die verkozen zijn met het oog op lidmaatschap van een classicale vergadering. Maar er is volgens het commentaar meer mogelijk: ‘Het gaat […] niet om de normale taakverdeling, maar om specifieke taken, bijvoorbeeld een ouderling-scriba of predikant met een bijzondere evangelisatietaak.’ Eigen aan de verkiezing van ouderling/diaken met een bepaalde opdracht is dat de kerkenraad slechts aanbevelingen hoeft te vragen. Hij hoeft geen kandidatenlijst op te stellen (ord. 3-6-2) of tweetallen te stellen (ord. 3-6-3). Verkiezing door de gemeente is niet nodig. Daarmee kan het ook een manier zijn om directe inbreng van de gemeente te vermijden. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.
Toen ik als predikant begon, functioneerde het klassieke model nog volop. Zeker in kleinere gemeenten waren verreweg de meeste taken bij de kerkenraad zelf belegd. Ouderlingen deden huisbezoek, als het even kon ieder jaar op alle adressen. De persoonlijke diaconale hulpverlening bestond toen al nauwelijks meer. Diakenen richtten zich voor een belangrijk deel op de verdeling van gelden voor goede doelen. In de praktijk zien we nu vaak een breed scala van ambtsdragers met een bepaalde opdracht: voor de jeugd, voor andere vormen van bijzonder pastoraat, voor het dienstdoen in het kader van rouw en trouw, voor de werkgroep eredienst, enzovoort. Sommige kerkenraden kennen voornamelijk of zelfs uitsluitend ambtsdragers met een dergelijke opdracht, mede ook ten gevolge van het werkgroepenmodel. Het zou interessant zijn meer nauwkeurig na te gaan, hoe dat zich binnen enkele decennia zo ontwikkeld heeft. Het heeft onder meer te maken met toenemende vragen bij zin en mogelijkheden van het jaarlijkse huisbezoek. Maar ook speelt de specialisering in het dagelijks leven een rol: dat heeft de kerk gekopieerd. In de gemeenteopbouw is het activeren van gemeenteleden sterk opgekomen. Verder speelt mee het steeds moeilijker is geworden ambtsdragers te vinden en vaak blijkt dat mensen het plezierig vinden geroepen te worden voor iets waar ze goed in zijn. Theologisch is dat wel onderbouwd met gaven/talentgericht werken.
Bos & Koffeman houden het erop dat het niet moet gaan om ‘de normale taakverdeling’. Het is dan wel weer vreemd, dat zij de ‘ouderling-scriba’ als voorbeeld noemen. Het scribaat behoort nu eenmaal tot die normale taakverdeling. De kerkenraad kiest de scriba uit zijn midden (ord. 4-8-2). Ook bij activiteiten in het kader van evangelisatie en missionaire roeping valt een dergelijke kanttekening te plaatsen. Zij behoren zowel bij de predikant als de ouderling tot de taken die aan de ambtsdrager zijn toevertrouwd (ord. 3-9-1, 3-10-1) en daarmee intrinsiek tot de taken van het desbetreffende ambt. Hoe zit het vervolgens met het werkgroepenmodel, waarin verschillende kerkenraadstaken toevertrouwd zijn aan werkgroepen (ord. 4-9)? Valt dat onder ‘de normale taakverdeling’?
Wat ik maar zeggen wil: de basisstructuur van menig kerkenraad is zo veranderd dat het onderscheid tussen de hierboven benoemde taken en ‘de normale taakverdeling’ eigenlijk niet goed meer mogelijk is. Dat geldt zelfs voor kerkenraden die min of meer traditioneel functioneren, met een grote nadruk op het geregelde huisbezoek door de ouderlingen. De vraag is al met al echter of de ambtsdrager-met-een-bepaalde-opdracht qua verkiezing nog wel de uitzonderingspositie verdient die die heeft. Dat staat dan weer in het bredere kader van bezinning op de verkiezing van ambtsdragers in het algemeen. Geregeld ontvang ik daarover vragen. Ook meer behoudende gemeenten lopen steeds meer tegen de grenzen van het huidige systeem op.