Met enige regelmaat vragen belanghebbenden om herziening van een einduitspraak in een bezwaarprocedure (ord. 12-11). Wie mogen dat doen? In uitspraak GCBG 12/10 r.o. 2.6 geeft het Generale College voor de behandeling van Bezwaren en Geschillen daarvoor een richtlijn: ‘Herziening kan slechts worden gevraagd door partijen in de procedure die tot de bestreden uitspraak heeft geleid. Belanghebbenden die geen partij waren, kunnen dus niet om een herziening van een uitspraak vragen.’ Op zich klinkt dat logisch. Het ligt in het verlengde van ord. 12-3, waarin de basisregels voor het indienen van een bezwaar zijn opgenomen. Maar vloeit het ook direct uit de regelgeving voort?
De regel die ook sinds 1955 in vergelijkbare formuleringen in de hervormde kerkorde te vinden was (daar laatstelijk ord. 19-17) luidt: ‘Indien het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen inzake een uitspraak waartegen geen beroep (meer) mogelijk is feiten en omstandigheden ontmoet …’. Het is opmerkelijk dat in deze bepaling op geen enkele manier wordt gerefereerd aan de wijze waarop deze ‘feiten en omstandigheden’ aan de commissie bekend worden (zie voor deze uitdrukking deze blog). Dat kan door een concreet verzoek, maar bijvoorbeeld ook door kennisname van informatie op het internet. Helaas bieden de commentaren van Van den Heuvel uit 1991 en 2001 geen aanwijzingen hoe de tekst te lezen is. De Toelichtingen uit 1997 op de nieuwe protestantse kerkorde houdt het op: ‘Maar het generale college kan wel zelf, doordat er nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden […] tot de ontdekking komen dat een onjuiste beslissing is genomen.’ (p. 134v). Dat wijst, net als de ordinantiebepaling, in de richting van de mogelijkheid van een ambtshalve beslissing, zonder tussenkomst van derden.
Er is nog een argument dat de overweging van het GCBG weerspreekt. In het kader van het opzicht is het aanhangig van een zaak in beginsel niet afhankelijk van een partij. Het is simpelweg voldoende als ‘feiten en omstandigheden’ daartoe aanleiding geven een onderzoek te start (ord. 10-9-1). Dat kan door een concrete klacht, maar dat hoeft niet. Datzelfde geldt daar voor herziening (ord. 10-12-1), al lijken de bewoordingen bij opzicht iets meer ruimte te geven: ‘feiten en omstandigheden ontwaart’ (vgl. het ‘ontmoet’ bij het GCBG). De Toelichtingen uit 1997 geeft dat echter net als bij bezwaren en geschillen weer als ‘bekend worden’ (p. 107).
Ik kom op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de stelling van het GCBG dat alleen partijen herziening zouden kunnen vragen, onjuist is. Voor zover de uitspraak verdere informatie verschaft is het overigens de vraag of dat appellanten geholpen zou hebben (zie daar r.o. 2.12).