Sinds december 2006 heeft de Protestantse Kerk in Nederland een Protocol voor situaties van (seksueel) misbruik. Nadat in januari 2016 en voorjaar 2019 volgende versies waren verschenen, dateert de laatste en vierde versie van zomer 2022. Deze draagt als titel Protocol voor gemeenten die geconfronteerd worden met mogelijk (seksueel) misbruik in pastorale en gezagsrelaties. Wat is de aard en het karakter van dit protocol?
Het antwoord op de vraag waarmee ik begin kan op zich kort zijn. Het protocol is opgezet naar aanleiding van een synodaal verzoek van 30 januari 1999 om ‘richtlijnen voor gemeenten, mogelijk in de vorm van een protocol, waarin wordt aangegeven hoe gehandeld kan worden als seksueel misbruik zich daar voordoet’ (Gezamenlijke vergadering […] op 28, 29 en 30 januari 1999 […], 383). Het woordje ‘kan’ staat er niet toevallig. De beschrijving van het onderliggende rapport Schuilplaats in de wildernis? wijst erop dat dat een bewuste keuze is (par 5.2.2.5). De inleiding op de laatste verschenen versie van het Protocol spreekt in het ‘Vooraf’ over ‘een hulpmiddel om een weg te vinden’, ‘een handreiking om enige orde te scheppen’. ‘De ervaring heeft de afgelopen jaren geleerd dat elke situatie anders is en vraagt om maatwerk. Dit houdt in dat niet alles in een protocol is onder te brengen.’ In de ‘Inleiding’ wordt het woord ‘handelingsadviezen’ gebruikt. In zorgvuldige omgang met alle betrokkenen kan het protocol ‘een leidraad’ zijn en worden.
Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft nooit een synode zich over het protocol gebogen. Dat kan te maken hebben met het feit dat het geen scherp geformuleerde regelgeving bevat. Er is een zekere ruimte in het al dan niet opvolgen van wat het protocol biedt. Tegelijk sluit deze ruimte een stevige synodale aanbeveling of zelfs een vaststelling niet uit. Ook daarin kan immers een nadere verklaring van aard en karakter een plaats krijgen.
Leendert Plug, predikant te Barneveld, attendeerde me erop dat in de in 2012 door de synode vastgestelde Beroepscode voor predikanten en kerkelijk werkers het protocol met name genoemd wordt: ‘De predikant/kerkelijk werker weegt, wanneer hij/zij in vertrouwen op de hoogte is gesteld van een (vermoeden van) tuchtwaardig gedrag, bij de vraag of hij/zij de geheimhouding moet doorbreken (zie B 5) mee dat dit moet worden gestopt en voorkomen en niet mag worden toegedekt. Wanneer seksueel misbruik in het geding is, maakt hij/zij gebruik van het protocol ‘Seksueel Misbruik in Pastorale Relaties’. Dat is onmiskenbaar hetzelfde protocol als het hierboven beschrevene. Hierdoor ontstaat op verschillende manieren een wat vreemde situatie. In de eerste plaats: de Beroepscode beperkt zich strikt genomen tot gemeentepredikanten en kerkelijk werkers in dienst van een kerkelijke gemeente (GR 5-13-1 jo 5-1-1c; resp. GR 4-7-1 jo 4-1-1a), al zal ze als door de synode vastgesteld document in afgeleide zin ook betrekking hebben op bijvoorbeeld predikanten en kerkelijk werkers met een bijzondere opdracht, en emeriti. De inleiding wijst daar ook op: ‘Voor wie op een ander terrein werkzaam is, zal niet elke regel letterlijk van toepassing zijn’. De eerstgenoemde groep is gehouden in voorkomend geval het protocol te hanteren, de andere groep is daaraan in minder stringente mate gebonden. Maar daarmee zijn we er nog niet. Waar in een gemeente en meer in het bijzonder een kerkenraad eventuele predikanten en kerkelijk werkers gehouden zijn het protocol te volgen, kunnen de overige kerkenraadsleden het op zijn best als een dringende synodale handreiking beschouwen. Nu zal alleen al door de formuleringen ook wel duidelijk zijn dat het zo zwart-wit ook weer niet ligt. De Beroepscode heeft het over ‘gebruik maken’, dat biedt ruimte. Er staat nadrukkelijk niet dat het strikt gevolgd moet worden. De ruimte in de bewoording wordt versterkt door het protocol zelf, waarin immers ook sterk het besef doorklinkt dat het in voorkomende gevallen om maatwerk gaat.
Niettemin, de huidige inbedding van het protocol is rommelig, al zal dat vanwege de aard ervan niet snel tot problemen leiden. Het lijkt mij gewenst dat alle ambtsdragers op gelijke wijze aan het protocol gebonden worden. Dat zou bijvoorbeeld geregeld kunnen worden in GR 16, die als titel ‘Veilige gemeente’ draagt (zie ook het onderliggende rapport dat in april 2023 op de synode ter tafel lag). Ook een synodale vaststelling van het protocol zou ik in overweging willen geven. Het protocol zelf maakt in voldoende mate duidelijk dat het geen kerkordelijke teksten betreft, maar dat de handreikingen steeds met het oog op de specifieke situatie moeten worden toegepast. Voor predikanten en kerkelijk werkers met een bijzondere opdracht geldt het protocol dan primair voor zover er sprake is van misbruik in een kerkelijke context. Mogelijk zou verhelderd moeten worden in hoeverre het protocol verder op hen van toepassing is.