kerk en recht

Zelfreinigend vermogen tuchtrechtspraak

In een vorige blog ging ik in op twee mogelijkheden waarin een ambtelijke vergadering kan ingrijpen in de tuchtrechtspraak. Dat zijn uitzonderingen. De regel is dat de (tucht)rechtspraak het in het behalen van haar doelen (ord. 10-6-1) zelf af moet kunnen, zonder inmenging van buitenaf. Zo kan een plaatselijk college van predikant(en) en ouderlingen besluiten een classicaal college verzoeken een zaak over te nemen (ord. 10-7-6). Een van de belangrijkste waarborgen daarvoor is echter de mogelijkheid van beroep tegen de uitspraak van een opzichtcollege in eerste aanleg (plaatselijk of classciaal) bij het Generale College voor het Opzicht (GCO). Dat is vastgelegd in ord. 10-7-3 en 10-11-1,2,2a. Daarnaast zijn er nog twee opties voor het GCO om ambtshalve op te treden. Daarover gaat deze blog.

Ambtshalve vernietigen (ord. 10-11-8,9)

Het GCO kan nadat het heeft kennisgenomen van een uitspraak in eerste aanleg (vgl. ord. 10-10-4e) om al dan niet kerkelijke tucht toe te passen besluiten die uitspraak te vernietigen (ord. 10-11-8). Dat dient dan te gebeuren binnen zestig dagen nadat de uitspraak verzonden is (GR 11-18-1; NB: daar wordt verwezen naar ord. 10-11-9, waar gelet op de wijzigingen die in de loop der jaren zijn aangebracht 10-11-8 bedoeld zal zijn). Het mag de zaak dan zelf afdoen, dan wel doorverwijzen naar een (eventueel ander) classicaal college, al dan niet begeleid door nadere aanwijzingen voor de afdoening (ord. 10-11-9).

Ambtshalve herzien (ord. 10-12-1)

Als na een uitspraak meer tijd verstrijkt blijft ingrijpen door het GCO mogelijk, als het college ‘feiten en omstandigheden ontwaart waarmede bij de beslissing […] geen rekening kon worden gehouden’ en die waren ze bekend geweest naar de opvatting van het college ’tot een ander besluit aanleiding zouden kunnen geven’. Het samenstel ‘feiten en omstandigheden’ is dezelfde als bij het opstarten van een opzichtprocedure (ord. 10-9-1zie ook een vorige blog) en vormt een behoorlijke drempel. Het gaat in geval van herziening om nieuwe ‘feiten en omstandigheden’, dus naast hetgeen al bekend was. Het kan daarbij ook gaan om een tuchtmaatregel voor iemand die inmiddels overleden is (GCO 2013/B.7). De uitdrukking ‘ontwaart’ maakt duidelijk dat het zowel mogelijk is dat iemand het college erop attendeert, als dat het college op deze gronden eigener beweging een herzieningsprocedure in gang zet. De afdoening blijft bij een herziening in handen van het GCO.

Conclusie

De kerkorde kent twee mogelijkheden om in de kerk van ‘buitenaf’ in te grijpen in de tuchtrechtspraak, zonder dat partijen daar direct invloed op kunnen uitoefenen. Daarnaast heeft het GCO binnen de ‘kolom’ van de tuchtrechtspraak twee mogelijkheden in te grijpen. De eerste dient binnen een redelijk korte termijn plaats te vinden en is vergelijkbaar met een beroep door een van de partijen. Voor de tweede staat geen termijn, maar is de drempel, naar vermoed mag worden vanwege de rechtszekerheid voor betrokkenen, aanzienlijk hoger: het moet gaan om nieuwe feiten en omstandigheden.

Het behoort evenwel niet tot de mogelijkheden van het GCO om leden van (classicale) colleges te ontslaan. Ook ambtelijke vergaderingen kunnen dat niet, zoals ik eerder liet zien. Wel kan het GCO bij twijfel aan de kwaliteit van uitspraken van een CCO deze consequent nader onder de loep nemen. In feite is dat dan een vorm van curatele.