kerk en recht

Een spoedvoorziening in het kader van ord. 12-6-2?

In de GCBG-uitspraken van 2025 staat onder nummer 2025.02 een interessante uitspraak over de reikwijdte van een voorzittersbeslissing van het GCBG. In dit geval ging het om toepassing van ord. 12-6-2: ‘Indien onzekerheid bestaat over de vraag welk kerkelijk lichaam in een bepaalde zaak bevoegd is tot het geven van een oordeel of indien mocht blijken dat zulk een lichaam in de orde van de kerk niet is aangewezen, beslist het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen welk lichaam in dat geval tot oordelen bevoegd is.’ Wat was het geval? De vervangend coördinator van een meldpunt SMPR had de voorzitter van het GCBG verzocht een Classicaal College voor het Opzicht (CCO) de opdracht te geven een bepaalde zaak over te dragen aan het Interclassicale College voor het Opzicht (ICO), de instantie waar per 1 januari 2025 in eerste aanleg misbruikzaken dienen te worden behandeld. Op basis van het gegeven feitenrelaas en de genoemde regelgeving mag vermoed worden dat die overdracht geboden was. Een overgangsbepaling geeft namelijk aan dat indien er in januari een hoorzitting is of gepland staat, het CCO bevoegd is. Er was inderdaad in januari een zitting, maar anders dan de regels voorschrijven alleen met de beklaagde.

De voorzitter van het GCBG wijst het verzoek af en noemt daarbij twee zaken die verder onbesproken blijven. Het eerste betreft de vraag of de verzoeker wel belanghebbende is. Het tweede of er wel sprake is van een bodemzaak waarin de voorzitter een voorziening kan treffen (vgl. 12-8-3). De voorzitter stelt in een eerste overweging bij de afwijzing dat een ‘voorlopige voorziening’ niet mogelijk is, omdat de verwijzing naar het ICO een definitief, onomkeerbaar karakter draagt. In de tweede overweging stelt de voorzitter dat er niet zozeer ‘onduidelijkheid’ bestaat over wie bevoegd is, maar hierover ‘een verschil van inzicht’ bestaat. Het Generale College voor het Opzicht (GCO) is het aangewezen orgaan om hierover in beroep te oordelen.

Ik vraag me af, of de voorzitter juist in een gevoelige kwestie als deze niet een andere route had kunnen bewandelen. Ik maak in het vervolg enkele kanttekeningen bij de zaak. Ik betrek daarbij zowel de besproken als de onbesproken aandachtspunten in de voorzittersbeslissing.

  1. Het zou ondanks de afwijzing van de voorzitter van dit verzoek niet voor het eerst zijn geweest dat een voorzitter een voorziening had getroffen inzake een verzoek op grond van ord. 12-6-2. Dat is in GCBG 21/13 S ook het geval geweest. Dit had in de overwegingen betrokken kunnen worden en in beginsel aanleiding kunnen zijn geweest het verzoek welwillend te beoordelen.
  2. De vervangend coördinator SMPR is inderdaad geen direct belanghebbende in deze zaak. Een vertrouwenspersoon SMPR kan echter wel namens een getroffene een zaak aanhangig maken (zie de brochure Over grenzen heen). Het lijkt er hier niet direct op dat dat het geval is. Maar zelfs dan is de vraag, of het juist in deze bijzondere procedure waarin het GCBG het gehele terrein van de kerkelijke rechtspraak overziet het belanghebbende-criterium dat met name bij bezwaren en geschillen cruciaal is zo zonder meer mag overzetten op een zaak die primair het opzicht betreft. Een tuchtcollege kan immers alleen al op grond van ‘feiten en omstandigheden’ een procedure starten, ook zonder dat een klager zich heeft gemeld. In de folder Klachtenbehandeling bij misbruik in pastorale relaties en gezagsrelaties staat inzake de melding door anderen: ‘Die zaken worden door het college alleen in behandeling genomen als het slachtoffer (ook wel aangeduid als benadeelde) weet van de klacht en bereid is een verklaring af te leggen.’ Dat was hier het geval.
  3. De voorzitter had ervoor kunnen kiezen het verzoek van de vervangend coördinator SMPR op te vatten als een verzoek aan het GCBG als geheel en dit met spoed te doen behandelen. Een dergelijke interpretatie van het verzoek is met het oog op de ontvankelijkheid niet ongebruikelijk (vgl. bijvoorbeeld GCBG 11/16 S-II, waarin een spoedverzoek om herziening wordt opgevat als een verzoek een (tweede) voorziening te geven ex ord. 12-8-3)). Mogelijk ligt het zelfs meer voor de hand hebben gelegen simpelweg de doorzendplicht te hanteren: is een stuk verkeerd geadresseerd, dan moet het doorgezonden worden naar de juiste instantie (GR 11-3). Naar de letter van de bepaling is het wel de vraag of de voorzitter van het GCBG beschouwd kan worden als ‘college’ (-1) of ‘ander kerkelijk lichaam’ (-2). Een beraad van het GCBG zou gelet op andere uitspraken gauw 1,5 à 2 maanden hebben gekost. Het betrokken CCO had dan fatsoenshalve daarop moeten wachten.
  4. De voorzitter spreekt van een gevraagde ‘voorlopige voorziening’. De kerkordelijke bepaling kent dit begrip echter niet. Daarin is consequent sprake van opschorting en ‘spoedvoorziening’ (ord. 12-8-3 (vgl. 12-3-6), GR 12-24-1,2). Dat is toch net iets anders en biedt meer ruimte. De voorzitter verzet zich tegen het bieden van een voorziening, omdat deze een definitief karakter zou hebben. Als dit gelet op het karakter van de genoemde voorziening al juist is, kan dit aspect in dit geval geen doorslaggevend argument zijn. Ook het afwijzen van een voorziening heeft definitieve, onomkeerbare gevolgen. De klager moet de procedure in eerste aanleg doorlopen en zich desgewenst in beroep maar richten tot het GCO. Beide opties hadden tegen elkaar afgewogen moeten worden, waarbij het zo min mogelijk willen ingrijpen in een lopende (tucht)procedure een aspect zou zijn geweest.
  5. De voorzitter wijst er verder op dat het in deze zaak niet gaat om ‘onduidelijkheid’ over de bevoegdheid. Dat klopt. De kerkorde kent echter in ordinantie 12-6-2 twee situaties waarin het GCBG een uitspraak moet doen: ‘onzekerheid’ of als blijkt dat de kerkorde geen lichaam heeft aangewezen om een oordeel te geven. Van het tweede is geen sprake. Van het eerste in mijn opvatting wel. Onzekerheid is een duidelijk ruimer begrip dan de door de voorzitter genoemde onduidelijkheid. Dat moet ook zo zijn, wil het iets toevoegen aan het tweede deel van de bepaling, waarin de kerkorde niet in duidelijkheid voorziet over het bevoegde rechtsprekende orgaan. Kennelijk ontbreekt hier de gewenste zekerheid.
  6. Overigens, als toch ‘onduidelijkheid’ moet worden aangenomen, dan was het Generale College voor de Kerkorde het aangewezen kerkelijk lichaam geweest om een maatregel te treffen. Dat ‘is bevoegd bij gebleken onduidelijkheden […] in […] overganbsbepalingen een voorlopige correctie aan te brengen.’ (ord. 4-29-2).
  7. Punt van discussie is in deze zaak of al dan niet in januari (2025) een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Was dit het geval, dan was het CCO bevoegd. Uit de gegevens die verzoeker van de voorlopige voorziening heeft aangereikt blijkt dat toen alleen met de beklaagde is gesproken. Dat zou volgens GR 11-17-10 goed kunnen, maar dan hadden in eenzelfde kader ook de klagers gehoord moeten worden. Dat is kennelijk toen niet gebeurd. Op zijn best kan gezegd worden dat een begin is gemaakt met een hoorzitting. In dit twijfelgeval zou meegewogen kunnen worden waarom het ICO is ingesteld: verbetering van de tuchtprocedure in misbruiksituaties. Dat zou reden kunnen zijn tóch over te dragen.
  8. Toch zijn we er ook daarmee nog niet helemaal. Het GCBG stelde namelijk in GCBG 08/12 vast (r.o. 2.2): de colleges voor het opzicht zijn bevoegd ‘zelfstandig de wijze van behandeling in te richten van en procedurele beslissingen te nemen in de zaken waarin zij op grond van de kerkorde bevoegd zijn.’ (vgl. GCBG 07/05, r.o. 2.2). Overgezet op de onderhavige zaak: het GCO zou moeten oordelen, zoals de voorzitter van het GCBG ook stelt. Gelet op al het voorgaande is ook hier twijfel op zijn plaats of inderdaad het GCO aan zet is. Met name de genoemde onzekerheid over de overgangsbepaling en de intentie van de nieuwe regelgeving zouden reden kunnen zijn in dit specifieke geval wel een spoedvoorziening te treffen.

Uit het voorgaande blijkt dat de redenering van de voorzitter van het GCBG niet geheel sluitend is. Mijns inziens had bovendien de specifieke situatie meegenomen moeten worden: de klager van misbruik krijgt niet de specifieke kerkelijke procesgang die vanwege de bijzondere omstandigheden en de kwetsbare positie van de klager voor deze gecreëerd is. Uit literatuur is genoegzaam bekend dat het om door de klager veelal als bijzonder zwaar en pijnlijk ervaren procedures gaat. Het is dan wel erg simpel als de klager in dit geval via de vervangend coördinator SMPR te horen krijgt zich bij bezwaar tegen de gevolgde procedure te zijner tijd maar bij het GCO te melden. In feite heeft de klager dan een op diens specifieke situatie toegespitste behandeling gemist. Dat blijft echter geheel buiten beeld.