Een van de kenmerken van de kerkelijke rechtspraak in de PKN is het feit dat het een eigen ‘kolom’ is, los van de ambtelijke vergaderingen die de organen instellen en een zekere mate van eindverantwoordelijkheid dragen. Hierin verschilt deze rechtspraak van die in de Dordtse Kerkorde, waar het de ambtelijke vergaderingen zelf zijn die een oordeel vellen, zowel als het gaat om een bezwaar tegen een besluit als om de uitoefening van de tucht. De rechtspraak van de PKN sluit bewust aan bij hedendaagse, rechtstatelijke vereisten. Zo worden de leden van de colleges voor de lange periode van tien jaar benoemd en zijn ze niet terstond herbenoembaar. Bij mogelijke partijdigheid of gevaar voor de onafhankelijkheid moeten zij zich verschonen en is er de mogelijkheid tot wraking (vgl. GR 11-8). Toch kent het tuchtrecht twee bepalingen waarin een ambtelijke vergadering wel enige invloed kan uitoefenen op de gang van zaken. Ik bespreek ze hier in samenhang.
De bevoegdheid van kerkenraad of Breed Moderamen Classicale Vergadering (ord. 10-11-3)
‘Indien de betrokken kerkenraad of het betrokken breed moderamen van een classicale vergadering [BMCV] van oordeel is dat een classicaal college in gebreke is gebleven ten aanzien van de behandeling van een beschuldiging die is ingebracht’, kan deze vragen stellen over de beweegredenen en zich bij onbevredigende antwoorden wenden tot het Generale College voor het Opzicht (GCO) voor een ‘voorziening’. Deze regel is in de kern afkomstig uit de Hervormde Kerkorde (daar ord. 11-7-5). Ze heeft van het begin af aan gestaan in de kerkorde van de PKN. In de Toelichtingen uit 1997 staat ter uitleg: ‘als een regionaal [tegenwoordig: classicaal] college een klacht ten onrechte (nog) niet in behandeling heeft genomen’. Voorgeschreven is namelijk dat een zaak ‘onverwijld’ in behandeling moet worden genomen (GR 11-4-1). In feite is de bedoeling niet meer dan de behandeling van een zaak een impuls te geven. De rechtspraak als zodanig blijft binnen de ‘kolom’
De bevoegdheid van de kleine synode (ord. 10-7-5)
‘De kleine synode kan indien zij van oordeel is dat een classicaal college voor het opzicht in een bepaalde zaak met de ontplooiing van zijn activiteiten in gebreke blijft opheldering vragen over de redenen daarvan.’ Is de kleine synode niet tevreden dan kan zij het GCO opdragen ‘de zaal alsnog ter hand te nemen en een voorziening te treffen’. Deze bepaling is pas in een laat stadium in de PKN-kerkorde terecht gekomen. In mei 2002 stelde een van de considererende classes voor ‘om ook een eventueel ontslag van de leden van het college hier te regelen’. Dat wordt echter ongewenst geacht ‘omdat dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak zou aantasten. Wel is de werkgroep [kerkorde] van mening dat er een instantie behoort te zijn die kan worden aangesproken op disfunctioneren van het college als zodanig.’ Het gaat hier kennelijk om een veel dieper ingrijpen in de tuchtrechtspraak, namelijk meer in het algemeen bij ‘disfunctioneren’. Het is dan ook niet op plaatselijk of classicaal niveau dat dit ingrijpen is belegd (zoals in ord. 10-11-3), maar op landelijk niveau. Maar ook in dit geval is de bemoeienis van buiten de ‘kolom’ beperkt: het instigeert tot het ondernemen van actie. De inhoud van de actie is aan het hoogste orgaan van de tuchtrechter zelf. Van de Heuvels Toelichting uit 2013 voegt daar in lijn met de synodale overwegingen uit 2002 aan toe (261): ‘Tot de door het generale college voor het opzicht te treffen voorzieningen als juist genoemd hoort niet dat de leden van een regionaal college voor het opzicht uit hun functie worden ontheven.’ (vgl. ook Van den Heuvel 2004, 238)
Toch is er in de geciteerde tekst en in wordingsgeschiedenis van de bepaling nog wel een probleem. De tekst heeft: ‘alsnog’. Dat wijst erop dat het gaat om eenzelfde werking als in ord. 10-11-3. Zo heeft men het ook gelezen in 2011 bij de grote herziening van de kerkorde die in 2013 geĆ«ffectueerd werd. In synoderapport AZ 11.06 staat bij de ordinantiebepaling: ‘In de gevallen waarin de behandeling […] om enige reden stagneert’.
Echter, op grond van de kennelijk oorspronkelijke bedoeling van de bepaling en de systematiek – het orgaan dat ingrijpt – meen ik dat de lezing uit 2011/2013 te beperkt is. Ik wijs in dit verband ook op een ander aspect van de tekst: de woorden ‘met de ontplooiing van zijn activiteiten’ (ord. 10-7-5) wijst op een ander, groter bereik dan ’ten aanzien van de behandeling van een beschuldiging’ (ord. 10-11-3).
Conclusie
De tuchtrechtspraak kent twee bepalingen waarmee van buiten ingegrepen kan worden. In beide gevallen is de invloed beperkt: in het eerste geval (ord. 10-11-3) gaat het slechts om het laten versloffen van een klacht; in het tweede geval (ord. 10-7-5) om de wijze waarop een klacht behandeld wordt. In beide gevallen is het aan het GCO om de zaak verder in behandeling te nemen en eventueel door te verwijzen naar een ander classicaal college. Ingrijpen op een besluit van het GCO is niet mogelijk.