Op enkele plaatsen in de ordinanties wordt aan ledenregisters gerefereerd. De bewoordingen wisselen. Welke zijn bedoeld?
In deze blog wil ik ingaan op een drietal situaties waar het van belang is om precies te weten wat met ledenregister wordt bedoeld. Het gaat in de eerste plaats om ordinantie 6-2-5. Als er een doopvraag bij de kerkenraad wordt neergelegd, en iemand van de direct betrokkenen (ouders van een kind, dopeling) staat ingeschreven ‘in het register van gemeenteleden van een andere gemeente van de kerk’, dan moet de kerkenraad van die andere gemeente geconsulteerd. Na de doopbediening moet een melding gemaakt worden aan die gemeente. In dat verband staat er meer algemeen: ‘iemand die in een andere gemeente van de kerk is ingeschreven’ (ord. 6-4-4). De tweede plaats is ordinantie 9-4-4. Daar betreft het degene die verzoekt om belijdenis van het geloof te mogen afleggen. In dat geval vindt raadpleging plaats bij vermelding ‘in het register van een andere gemeente van de kerk’. Nadat belijdenis is afgelegd moet dan melding aan die gemeente worden gedaan (ord. 9-5-9). Een derde vindplaats is ordinantie 12, over bezwaren en geschillen. Een van de voorwaarden om een bezwaar/geschil aanhangig te maken is dat ‘iemand die is ingeschreven in een van de registers van een gemeente’ (ord. 12-3-1). Eenzelfde formulering is te vinden bij een revisieverzoek (ord. 12-12-1).
Grofweg zijn er dus drie formuleringen: ‘het register van gemeenteleden’ bij de doop (1), ‘het register van een andere gemeente’ bij belijdenis doen (2) en ‘een van de registers van een gemeente’ bij bezwaren en geschillen (3).
Ik begin bij de tweede. In artikel III-5 is het register van de gemeente nader gedefinieerd. Het register van de bij het belijdenis doen genoemde andere gemeente zal in dit licht in beginsel bevatten: doopleden, belijdende leden, niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden, en blijkgevers van verbondenheid (tegenwoordig vrienden).
Dan de eerste, ‘het register van gemeenteleden’. Dat lijkt op het eerste gezicht beperkter. Ordinantie 2-2-1 laat alleen doopleden en belijdende leden onder de categorie gemeenteleden vallen (al maakt GR 2-2-3 het er niet duidelijker op door te spreken van ‘leden van de gemeente’, waar allen die tot de gemeenschap van de gemeente behoren, bedoeld lijken te zijn). In het verleden maakte GR 2 betreffende de ledenadministratie duidelijk dat geboorteleden in het register van gemeenteleden ondergebracht moesten worden. Nu wordt een antwoord gevonden in ordinantie 2-3-2. Het mag dan zo zijn dat leden beperkt zijn gedefinieerd in ordinantie 2-2-1, állen die genoemd staan in deze bepaling worden opgenomen in het ‘lokale ledenregister’. Dus niet alleen geboorteleden en belijdende leden, maar ook gastleden, niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden en vrienden. Hoewel de terminologie niet naadloos aansluiten – ‘register van gemeenteleden’ en ‘lokale ledenregister’ – mogen we ervan uitgaan dat hetzelfde bedoeld is. Daarmee gaat het bij de bepalingen over doop en belijdenis dus om hetzelfde register.
Blijven over ‘de registers van een gemeente’. Dit lijkt een overblijfsel uit vroeger tijden. Daarin werden de registers (meervoud!) van een gemeente onderverdeeld in een register van leden en gastleden, een register van niet-gedoopte kinderen, enzovoort. Per 2018 is dat onderscheid in ordinantie 2 en de bijbehorende GR 2 geëlimineerd. Het gaat dus ook in de hier genoemde registers om dezelfde categorieën leden als in de met andere woorden aangeduide registers.
Buiten de registers vallen andere geregistreerden, wier namen aan de registers zijn toegevoegd (GR 2-3-3). Zij zijn niet ingeschreven, maar hun gegevens zijn toegevoegd.
Kortom. Het gaat ondanks de verschillen in bewoordingen om steeds hetzelfde register en dezelfde categorieën geregistreerden. Het verdient aanbeveling de bewoordingen gelijk te trekken.