Kan de PKN meewerken aan dopen op een conferentie?
Gisteren las ik in het ND een artikeltje onder de kop ‘Voor het eerst kunnen bezoekers zich laten dopen op Graceland Festival. “Voor wie geen kerk heeft”‘ De festivaldirecteur meldt het in een gesprekje met een journalist enigszins euforisch. Ik lees verder onder meer: ‘Mocht er iemand zijn die zijn of haar geloof wil belijden en echt een keuze wil maken, dan kan diegene in gesprek met een theoloog of predikant – óók een echte Graceland-ganger. De doop wordt vervolgens bediend door een predikant van de Protestantse Kerk in Nederland.’ De intenties kan ik waarderen. De gedachte is namelijk wie gedoopt wordt/is te koppelen aan een lokale geloofsgemeenschap. Maar past het dopen op een conferentie – ik neem dat het de bedoeling is dat de doop plaatsvindt op de conferentiedagen zelf en op het conferentieterrein – binnen het kerkordelijk kader van de PKN?
Uit het bericht is duidelijk dat het niet gaat om kinderdoop. Het is dopen op belijdenis. We moeten dus kijken naar ordinantie 6, over de doop, en naar ordinantie 9, over de geestelijke vorming, waar openbare geloofsbelijdenis een onderdeel van is.
Ordinantie 6 – doop
De basis in ordinantie 6 is, dat de kerkenraad verantwoordelijk is voor de doopbediening (6-2-1). De kerkenraad voert het gesprek over de betekenis van de doop met degene die gedoopt wil worden (6-2-2). Ook de motivatie zal daarbij aan de orde moeten komen. Het gesprek wordt in de regel door een predikant en een ouderling gevoerd. Daar kan dus van worden afgeweken. Een predikant kan het eventueel ook alleen doen, maar de predikant kan dat dus alleen doen met back-up van de kerkenraad. Niettemin, de Nieuwe toelichting (Bos & Koffeman 2019) raadt het in pertinente bewoordingen af: ‘Een kerkenraad dient het doopgesprek niet aan de predikant over te laten.’ (71)
Tot zover lijkt het in beginsel te kunnen. Daarbij moeten nog wel drie zaken bedacht worden. Het kan uitsluitend gaan om iemand die nog niet gedoopt is. De Protestantse Kerk in Nederland wijst opnieuw dopen expliciet af (zie de brochure ‘Over dopen‘). Verder bepaalt ordinantie 6-2-5 dat als iemand ‘door wie de doop wordt begeerd’ in een andere gemeente ‘in het register van gemeenteleden’ ingeschreven staat, ook de desbetreffende kerkenraad geraadpleegd dient te worden. Gemeenteleden zijn echter elders gedefinieerd als doopleden en belijdende leden (ord. 2-2-1), gedoopten dus. Toch gaat het hier om meer categorieën. Toen de ordinanties gemaakt werden, werd aanvankelijk nog in zijn algemeenheid over ‘een register’ gesproken (zie Ontwerp-ordinanties, 79, Toelichtingen, 80). Daartoe behoorden bijvoorbeeld ook mensen die als ongedoopt geregistreerd stonden, bijvoorbeeld omdat hun ouders bewust kozen hun kind(eren) niet te laten dopen. Ik laat dit punt hier voor wat het is, hoop er later nog een keer apart op terug te komen.
Het derde punt dat ik wil noemen, is anders dan het vorige fundamenteel. De doop moet worden bediend ‘in een kerkdienst van de gemeente’ (ord. 6-3-2). Afwijken kan in ‘bijzondere omstandigheden’, maar de kerkenraad moet dan wel vertegenwoordigd zijn en zo mogelijk moeten ook andere leden van de gemeente aanwezig zijn (ord. 6-3-3). Nu zouden eventueel de ‘bijzondere omstandigheden’ in het geval van de conferentie nog kunnen worden aangenomen. Het is aan de kerkenraad om dat vast te stellen. De vraag is dan weer wel, of een kerkenraad jurisdictie heeft buiten het eigen ressort. De PKN gaat nog altijd uit van het territoriaal principe. In het geval van een huwelijk gebeurt het evenwel veelvuldig dat het ingezegend wordt buiten het ressort van de gemeente waarvoor de kerkenraad verantwoordelijk is, zonder expliciete toestemming van de kerkenraad of kerkenraden die op die plaats verantwoordelijk zijn. Mogelijk moeten we dit dus maar niet teveel compliceren. Toch, in deze casus gaat het om de doop, een sacrament. Dat weegt zwaarder.
Ordinantie 9 – openbare geloofsbelijdenis
Waar het gaat om het afleggen van openbare geloofsbelijdenis, verondersteld vooraf te gaan aan de doop, ligt het wat gecompliceerder. De kerkenraad moet zich uitspreken over de gewenste voorbereiding, ‘in de regel […] belijdeniscatechese’ (ord. 9-4-1). De kerkenraad (!) kan dus anders kiezen. Vervolgens dient een gesprek plaats te vinden over motivatie en inhoud van het geloof (ord. 9-4-2). Het is niet uitgesloten dat een predikant dat alleen doet, namens de kerkenraad. Het is echter de vraag of dat gewenst is, zie hierboven de opmerking in de Nieuwe toelichting over het doopgesprek. De volgende stap is het bekend maken van de namen aan de gemeente (ord. 9-4-3). Op dit punt zie ik een beletsel om iemand op een conferentie op belijdenis te laten dopen. Ik acht het meer dan een formaliteit. Het heeft ook alles te maken met de intentie van de conferentieorganisatie: de verbinding met een lokale gemeenschap. Die begint hier: bij de bekendmaking van de namen. Belijdenis doen en dopen op belijdenis is een openbaar gebeuren.
Van belang is verder nog dat als iemand in ‘het register van een andere gemeente’ ingeschreven is, de desbetreffende kerkenraad benaderd moet worden. Onduidelijk is echter ook hier welk register hier wordt bedoeld. Gaat het om het register van gemeenteleden, zoals bij de doop? Of moet dit gelezen worden in het licht van artikel III-5, waar gesproken wordt over ‘het register van de gemeente’ waar naast doopleden en belijdende leden ook niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden en zgn. blijkgevers van verbondenheid (= vrienden) zijn opgenomen. Ik vermoed het laatste. Dan is in het geval van niet-gedoopte kinderen en vrienden de voorgeschreven check nodig.
Net als bij dopen, is de regel dat openbare geloofsbelijdenis plaatsvindt in een kerkdienst (ord. 9-5-2). In ‘bijzondere omstandigheden’ kan het echter ook gebeuren ’ten overstaan van de kerkenraad of een vertegenwoordiging daarvan’ (ord. 9-5-5). Ook hier beslist de kerkenraad.
Conclusie
De intentie van de conferentie om te laten dopen in het kader van een plaatselijke geloofsgemeenschap valt te waarderen, maar een predikant van de Protestantse Kerk in Nederland kan hier niet aan meewerken, zelfs niet met steun van haar/zijn kerkenraad. De kerkorde biedt onvoldoende ruimte. Wat wel zou kunnen is de eerst stap naar de doop te zetten op de conferentie. Mogelijk kan de orde ‘Presentatie van wie zich op de doop voorbereiden’ uit het Dienstboek daarbij inspiratie bieden (II, 72-74). De doop zelf vindt dan later, in de gemeente plaats. De verbinding met een plaatselijke geloofsgemeenschap is dan wel een punt. Wat betekent het als iemand 100 kilometer verderop woont en/of er praktisch niet of nauwelijks verbinding tot stand komt?
Of moeten we de verbinding tussen doop en plaatselijke gemeente loslaten? Ik zou daar zelf niet voor zijn, maar ik vind wel dat we de vraag moeten stellen en overwegen.
Kortom, ik denk dat het goed is als de conferentie-organisatie nog eens goed nadenkt over de inbedding van het dopen op een conferentie.