kerk en recht

De kerkordelijke basis voor de PKN-verklaring Kristallnachtherdenking 2020

Op 8 november heeft ds. René de Reuver namens de generale synode van de PKN een verklaring afgegeven over de rol van de kerk in WO II. Enerzijds is deze verklaring met instemming begroet. Anderzijds is er ook veel kritiek. Kan dat wel, schuld belijden voor een ander? Is de rol van de kerk en van individuele kerkleden wel voldoende op waarde geschat? Maar ook: is wel voldoende duidelijk dat een verklaring als deze verplichtingen schept in het heden, niet alleen ten aanzien van Joden, maar ook met betrekking tot bijvoorbeeld vluchtelingen? In deze blog wil ik kort de kerkordelijke basis van de verklaring verkennen.

Totstandkoming verklaring

Hoe is de verklaring tot stand gekomen? De tekst en de toelichting in de bijbehorende brochure zwijgen erover. De website van de PKN licht een tipje van de sluier op in de rubriek Veelgestelde vragen. Daaruit blijkt dat het gaat om een verklaring ‘van de generale synode’. Zo blijkt ook uit het Voorwoord van de brochure dat dat Voorwoord ‘namens’ de synode geschreven is. Vervolgens is het toch wat mistig. De verklaring, zo meldt de website, is ‘besproken in bijeenkomsten van het moderamen en de generale synode’. Betekent dat ook dat de generale synode de verklaring heeft vastgesteld? Of heeft het moderamen van de synode op grond van bepaalde besprekingen van de thematiek in de synode de tekst vastgesteld?

Bevoegdheid synode

Om te beginnen. Heeft de generale synode de bevoegdheid een verklaring als de onderhavige vast te stellen? Het antwoord is vooral te vinden in twee kerkordelijke bepalingen. De synode heeft in het algemeen tot taak ‘het ter hand nemen van al wat het leven van de kerk in de wereld kan bevorderen’ (ord. 4-25-1). Daarnaast zijn er bepalingen meer in het bijzonder over ‘Het gesprek met Israël’ (ord. 1-2). De generale synode heeft daarin in het bijzonder een aantal taken gekregen, onder meer het ‘leiding te geven aan – [a] de verdieping en verbreding van het inzicht van de kerk in de weg van God met Israël en – [b] het gesprek met Israël’ (ord. 1-2-2). Een en ander ‘wordt zoveel mogelijk verricht in samenwerking met organen van andere kerken die in deze arbeid werkzaam zijn.’ (ord. 1-2-3).

In de onderhavige verklaring doet de synode waartoe zij volgens de hierboven aangehaalde kerkordelijke uitdrukkingen van ‘leiding (…) geven’ (ord. 1-2-2) en ‘ter hand nemen’ (ord. 4-25-1) gerechtigd is. In de kritiek is ook wel gesteld dat de synode een verklaring als de onderhavige niet zou mogen vaststellen zonder het raadplegen van gemeenten en classes. Toegepast op deze kerkordelijke uitdrukkingen is dat met name kritiek op de invulling van het begrip ‘leiding (…) geven’. Het lijkt me echter dat de nu gekozen aanpak valt binnen de discretie de synode heeft om zelf invulling aan dit begrip te geven. Er bestaat geen harde verplichting tot raadpleging van het grondvlak.

Besluitvorming synode

Wat heeft de synode nu precies gedaan? Of anders gezegd: op welke wijze zijn leiding geven en ter hand nemen ingevuld? Heeft de synode iets beslóten, een centraal begrip in het uitvoering geven aan deze kerkordelijke begrippen? We weten, zoals aangegeven, dat de synode de verklaring ‘besproken’ heeft. Een reconstructie in Trouw vermeldt: ‘In oktober stemt de synode, het gekozen landelijke kerkbestuur, ermee [alle stukken in de brochure, inclusief de verklaring] in.’ Kennelijk is er sprake van instemming. Op grond van de uitleg van ds. de Reuver in het ND van 8 november weten we nog iets meer: ‘De verklaring is vooraf met de synodeleden besproken en [dat is nieuw (KWdJ):] die stonden er unaniem achter.’ Dan nog: heeft de synode alleen instemmend commentaar gegeven of heeft ze de tekst op hoofdlijnen of zelfs geheel vastgesteld? Het zinnetje uit het ND suggereert dat er consensus was, maar geen officieel besluit. De vorm is hier niet helemaal onbelangrijk. Hebben synodeleden alleen individueel kunnen reageren, of is er ook nog iets van overleg geweest? Met andere woorden: is recht gedaan aan de basisregel voor de kerkelijke besluitvorming, dat er daadwerkelijk sprake moet zijn van ‘gemeenschappelijk overleg’ (ord. 4-5-1)? De ‘eenparige stemmen’ (vgl. eveneens ord. 4-5-1) waarvan met de unanieme instemming sprake lijkt, is op zichzelf niet voldoende. Ieder die wel eens vergadert, weet dat juist het gesprek nog wel eens tot een andere uitkomst wil leiden dan aanvankelijk gedacht.

De ruimte van het moderamen

De vraag is vervolgens welke mogelijkheden het moderamen van de generale synode heeft. Een besluit van de synode is er hoogstwaarschijnlijk niet. Er kan dus ook geen sprake zijn van ‘de uitvoering van die besluiten van de generale synode waarvoor geen anderen aangewezen zijn’ (ord. 4-26-3).

Daarmee blijven twee deels samenhangende opties over met betrekking tot de rol van het moderamen in de verklaring. Het moderamen kan namelijk ook worden belast ‘met het afdoen (…) van zaken die geen uitstel gedogen’ (ord. 4-26-3). Dit geldt wel in het bijzonder nu sprake is van ‘buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van het leven van de kerk onmogelijk maken’ (art. XIX). De generale synode komt minder vaak bij elkaar, hetgeen besluitvorming bemoeilijkt. Dat zou een reden kunnen zijn in dit specifieke geval meer aan het moderamen over te laten. De brochure (p. 5) maakt duidelijk dat zaken in een zekere stroomversnelling zijn gekomen nadat premier Rutte op 26 januari 2020 excuses had uitgesproken voor het overheidshandelen in de oorlogsjaren. Volgens Trouw lag er op 5 maart een eerste concepttekst waar vervolgens nog gedurende langere tijd druk aan gesleuteld is. Wie vervolgens een beetje gaat rekenen, ontdekt dat als een verklaring vanwege 75 jaar bevrijding in dít jaar afgegeven zou moeten worden, het nauwelijks mogelijk zou zijn dat deze in een reguliere synodezitting zou worden vastgesteld. Toepassing van enkel ord. 4-26-3 ligt dus het meest voor de hand. De vraag blijft wel, of, gelet op het gewicht van de zaak, niet tóch een synodezitting bijeengeroepen zou moeten zijn. Ik acht in dat verband een beroep op art. XIX minder gewenst. De synode is eerder dit jaar al deels online samen geweest, hoewel dat praktisch nog niet zo makkelijk was. In de FAQ’s van de PKN is ten aanzien van de kerkenraadsvergadering te lezen: ‘een vergadering van een kerkenraad met veel ambtsdragers kan dus niet digitaal.’ Dat is voor de synode niet wezenlijk anders. Als ik echter zou moeten kiezen tussen een individuele consultatie en een online overleg en besluit zou ik voor dat laatste kiezen, hoe gebrekkig ook.

Conclusie

Hoewel ik ervan ben overtuigd dat het traject dat geleid heeft tot de PKN-verklaring tijdens de Kristallnacht herdenking 2020 met de beste bedoelingen is doorlopen, roept het in het licht van de kerkorde ook enkele vragen op. Kern daarvan is, of, gelet op het gewicht van de zaak, de synode zelf de verklaring niet had moeten vaststellen na de kerkordelijk voorgeschreven onderlinge beraadslaging. Als de synode dit wel heeft gedaan – hetgeen op basis van de nu voorliggende informatie niet goed vast te stellen is -, valt er vanuit kerkordelijk oogpunt weinig tegen de verklaring in te brengen.

P.S. – aanvullende informatie (16/11, 19.15 uur)

Inmiddels kreeg ik informatie over de in de synode gevolgde procedure: ‘Over de verklaring is in de synode geen besluitvorming geweest. Wel zijn er enkele landelijke bijeenkomsten geweest waar de concepttekst aan de orde is geweest. De definitieve tekst van de verklaring is onder embargo synodeleden gestuurd enkele uren voor het uitspreken daarvan.’

P.S. – aanvullende reflectie (16/11, 19.15 uur)

Op grond van de aanvullende informatie is duidelijk dat de synode als zodanig, dus op enigerlei wijze in vergadering bijeen, niet beraadslaagd heeft over de tekst. Bijeenkomsten van delen van de synode en eventuele adviseurs kunnen hiervoor niet in de plaats komen. Uit mijn blog zal duidelijk zijn dat de synode een (principe)besluit had moeten nemen op een daartoe geëigende wijze. Dat had een voorlopige tekst kunnen betreffen, een op hoofdlijnen, uitgewerkt door het moderamen (vgl. ord. 4-26-3, hierboven aangehaald).