kerk en recht

Tussentijds terugkomen op de uitslag van de zesjaarlijkse stemming

De zogenaamde zesjaarlijkse stemming was een begrip in de Nederlandse Hervormde Kerk. Elke zes jaar kregen in de maand november gemeenteleden van alle gemeenten en wijkgemeenten de gelegenheid zich uit te spreken over de wijze waarop de ambtsdragers gekozen werden (HKO ord. 3-4 en 3-7). Dat gebeurde voor de laatste keer in 1998. Deze zesjaarlijkse stemming is een relict van de keuze die hervormde gemeenteleden in 1867 voor het eerst kregen voorgelegd, of zij invloed wilden uitoefenen op de samenstelling van de kerkenraad, of dat zij dat aan de kerkenraad zelf wilden overlaten. In de kerkorde van de Protestantse Kerk bestaat nog steeds iets dat lijkt op de zesjaarlijkse stemming. Regel is dat de gemeente bij vacatures voordrachten kan doen en dat de kerkenraad verplicht is bij tien of meer voordrachten van een persoon de voorgedragene te verkiezen of op een kandidatenlijst te plaatsen en verkiezingen te organiseren (vgl. PKO ord. 3-6-2). Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat ‘de stemgerechtigden van de gemeente telkens voor een periode van ten hoogste zes jaren de kerkenraad machtigen om dubbeltallen per vacature te stellen’ (PKO ord. 3-6-3). In een dergelijk geval heeft de kerkenraad meer invloed op de kandidaatstelling, maar is het in de meeste gevallen de gemeente die uit een voorgesteld dubbeltal een keuze maakt. De vraag is nu, of een gemeente tussentijds af kan van de gegeven machtiging. Dat kan van de gemeente uitgaan, omdat zij ontevreden is over de wijze waarop de kerkenraad omgaat met de machtiging, bijvoorbeeld omdat de personen in de dubbeltallen qua opvatting weinig van elkaar verschillen. Het omgekeerde kan ook, dat de kerkenraad vastloopt, bijvoorbeeld omdat bij elke stemming ook kandidaten weggestemd worden die eigenlijk toch heel geschikt zijn. De kerkenraad is echter gehouden dubbeltallen te stellen. Hij kan daar niet omheen. Overgaan naar de reguliere procedure van ord. 3-6-2 is dan echter niet zonder meer een oplossing. Ook dan moet immers in bepaalde omstandigheden gekozen worden en bestaat het gevaar dat op zich geschikte kandidaten zich terzijde geschoven worden omdat een ander meer stemmen behaalt.

Ik bespreek de vraag over het terugkomen op een gegeven machtiging, eerst waar de kerkenraad dit wenst, vervolgens als het initiatief uit de gemeente komt. Ik eindig met een overweging die de oude hervormde zesjaarlijkse stemming een actueel tintje geeft.

Achtergrond

Bij de vraag of tussentijds kan worden afgezien van de machtiging van de gemeente moet worden bedacht dat dat in de Nederlandse Hervormde Kerk in principe niet mogelijk was. De machtiging werd voor een periode van zes jaar afgegeven. Het enige moment om daar verandering in aan te brengen was de volgende zesjaarlijkse stemming.

De kerkorde van de PKN

De kerkorde van de PKN biedt meer ruimte. Alleen gemeenten waar men het opstellen van dubbeltallen aan de kerkenraad wil overlaten, stemmen daarover. Zij machtigen bovendien niet de facto voor zes jaar, maar ’telkens voor een periode van ten hoogste zes jaren’. De Toelichtingen uit 1997 geven geen uitsluitsel over de vraag wat hier met ’ten hoogste’ wordt bedoeld. Sterker nog, deze uitgave negeert het ’ten hoogste’: ‘Deze machtiging geldt voor zes jaar.’ (p. 35) Duidelijk is dat het ’ten hoogste’ in ord. 3-6-3 kan betekenen dat de machtiging voor bijvoorbeeld drie jaar kan worden afgegeven. Maar kan het ook worden geïnterpreteerd als dat de gegeven machtiging voortijdig wordt ingetrokken (door de gemeente) of teruggegeven (door de kerkenraad)?

Een opening?

De juristen van het landelijk dienstencentrum van de PKN lijken deze vraag met ja te hebben beantwoord. In het model voor de plaatselijke regeling bieden zij namelijk de volgende concept tekst aan in het geval van toepassing van ord. 3-6-3: ‘Machtiging uit hoofde van Ord. 3-6-3. Op …. (datum) hebben de stemgerechtigden van de … gemeente de kerkenraad van die gemeente voor de duur van … (maximaal zes) jaar gemachtigd om voor de verkiezing van ambtsdragers de procedure, beschreven in Ord. 3-6-3, te volgen. De kerkenraad zal de gemeente hierover uiterlijk op … (datum plus aantal jaar) opnieuw raadplegen.’ Mijn oog valt in dit geval op het woord ‘uiterlijk’. De kerkenraad kan in niet nader aangeduide omstandigheden – dat hangt van de plaatselijke omstandigheden af en daarmee dus van het oordeel van de kerkenraad – de gemeente kennelijk ook eerder raadplegen. Dat zal dan in beginsel gaan om verlenging. Maar als het gaat om verlenging dan moet de kerkenraad in mijn opvatting ook de machtiging aan de gemeente kunnen teruggeven, zonder dat de gemeente zich daar per se middels stemming over uitspreekt. Alleen als de gemeente een stukje van haar invloed uit handen geeft, moet ze dat expliciet bij meerderheid van stemmen doen. Wie wat dichter bij deze geciteerde bepaling wil blijven, laat de gemeente zich er wél middels stemming over uitspreken. Het staat de kerkenraad overigens geheel vrij om de gemeente ernstig te ontraden de machtiging te verlengen.

De vraag moet gesteld worden of de juristen van het dienstencentrum het in hun interpretatie bij het rechte eind hebben. Gelet op de tekst van de bepaling – met name ook het woordje ’telkens’ in ’telkens voor een periode van ten hoogste zes jaren’ – en de wordingsgeschiedenis betwijfel ik dat. Daar staat tegenover dat iemand – in dit geval een kerkenraad – een machtiging moet kunnen teruggeven als hij zich niet in staat voelt daar op verantwoorde wijze uitvoering aan te geven. Dit laatste geeft voor mij de doorslag.

De gemeente aan zet?

Tegen deze achtergrond wil ik ook stilstaan bij het punt of de gemeente een eens gegeven machtiging tussentijds kan intrekken. Vanuit principieel oogpunt zou ik dat wel terecht vinden. De gemeente heeft namelijk afstand gedaan van een recht. Daar staat tegenover dat het verkiezingssysteem van ord. 3-6-3 alleen kan werken bij een zekere mate van continuïteit. Het kan niet zo zijn dat de gemeente dan weer eens machtigt, als het haar niet zint de machtiging intrekt, enzovoort. Dat zou de bestuurbaarheid van de gemeente in gevaar brengen. Daar komt bij dat de leiding van de gemeente belegd is bij de kerkenraad. Die initieert de zesjaarlijkse stemming. Dat is ook de enige die het intrekken van de machtiging kan agenderen. Het initiatief tot het ongedaan maken van de machtiging zal dus altijd bij de kerkenraad vandaan moeten komen. Daarbij is het uiteraard niet uitgesloten dat de kerkenraad met dat initiatief recht probeert te doen aan stemmen uit de gemeente.

Overweging tot besluit

Sommigen zullen het voorgaande met gefronste wenkbrauwen lezen. De praktijk in hun gemeente lijkt namelijk helemaal niet op de geschetste procedures, noch die met bindende voordrachten (PKO ord. 3-6-2), noch die met door de kerkenraad opgestelde dubbeltallen (PKO ord. 3-6-3). In de praktijk regelt de kerkenraad het voor een flink deel of zelfs geheel zelf. Het is al moeilijk genoeg ambtsdragers te vinden. Oproepen om mensen voor te dragen leverden in de praktijk niet of nauwelijks iets op en zijn na verloop van tijd maar achterwege gelaten. Bij de bevestiging van ambtsdragers worden namen wel steeds tijdig afgekondigd. De gemeente is op deze wijze altijd op de hoogte en kan, als het echt moet, altijd nog aan de bel trekken. Het is duidelijk dat dit op gespannen voet staat met de kerkorde, zo het er niet mee in strijd is.

De zesjaarlijkse stemming in de NHK betrof niet alleen de machtiging van de kerkenraad om dubbeltallen op te stellen, maar kon ook tot gevolg hebben dat de kerkenraad zelf de ambtsdragers verkoos (ord. 3-7). Deze mogelijkheid is in de PKN verdwenen tegen de achtergrond van de principiële gedachte dat het de gemeente zelf is die haar ambtsdragers verkiest. Maar wat nu als dat simpelweg niet zo werkt, als de praktijk sterker is dan de leer? Als ik de ontwikkelingen in de PKN sinds 2004 in ogenschouw neem, dan was deze mogelijkheid in hervormde kerkorde zo gek nog niet. De gemeente was er zich namelijk mede door de zesjaarlijkse stemming van bewust dat ze afstand deed van een recht dat haar toekwam. Ze werd daar iedere zes jaar bij bepaald. In veel PKN gemeenten is de zelf verkiezende kerkenraad praktijk geworden, maar zonder dat de gemeente daar op een of andere manier nog actief aan te pas komt. Dat vind ik ongewenst. Misschien was die oude hervormde bepaling toch zo gek nog niet.