kerk en recht

Mobiliteit

Op vrijdag 21 april heeft de generale synode de nota ‘Naar een cultuur van mobiliteit‘ met een ruime meerderheid aangenomen. De plannen zullen nu verder worden uitgewerkt. Ik maak enkele kanttekeningen.

Verschuivende invalshoek

De mobilteit van predikanten brengt de gemoederen nogal in beweging. Dat bleek ook weer bij de verschijning van de nota, enkele weken tevoren. Niet alleen de kerkelijke pers achtte die nieuwswaardig. Ook andere media vroegen er aandacht voor. De discussie begon met de nota Kerk 2025: Waar een Woord is, is een weg (m.n. p. 27-30). De thematiek werd daar genuanceerd maar tegelijk ook vrij stevig aangezet. Bij geregeld rouleren is ‘meer kans op verdieping’, anders kan ‘de interactie tussen predikant en gemeente voorspelbaar worden en dreigen vast te groeien’ (p. 28). En: ‘De rijkdom en diepte van het evangelie vraagt om afwisseling van voorgangers.’ Het ontbrak echter aan harde gegevens om dit soort beweringen te onderbouwen. Het recente rapport maakt duidelijk dat die er ook niet zijn, althans dat de kwalijke gevolgen van plakkende predikanten niet blijken uit een beduidend hoger aantal conflictsituaties of zelfs losmakingen. Ook kan niet direct gezegd worden dat het er met de mobiliteit van predikanten slecht voor staat. In de afgelopen tien jaar is die wel iets afgenomen, maar er zijn ook andere bewegingen waar te nemen. Positief is bijvoorbeeld dat een grotere groep predikanten na z’n 55e verkast. Dat heeft er overigens ook mee te maken dat het predikantenbestand vergrijst. Wil een gemeente een predikant dan zal ze in toenemende mate een ouder iemand moeten accepteren.

Krimpende middelen

In Kerk 2025 was aan de problematiek van ‘de krimpende middelen van gemeenten’ (p. 29) slechts een enkele regel gewijd. Dat aspect is in het recente rapport echter een grote, zo niet overwegende rol gaan spelen. Met cijfers wordt onderbouwd dat nogal wat gemeenten zich in de gevarenzone bevinden. Het wordt steeds moeilijker een solvabiliteitsverklaring te verkrijgen voor het beroepen van een predikant voor onbepaalde tijd. Nu is nog nauwelijks sprake van een gedwongen vermindering van werktijd, maar dat verschijnsel zou wel eens kunnen gaan toenemen. Op dit moment moeten gemeenten soms al over de grenzen van het redelijke heengaan om de ooit beroepen predikant te kunnen blijven bekostigen. Financiële uitputting is het gevolg. Als predikanten meer wisselen, is een evenwichtiger aanpak mogelijk: het dienstverband kan dan soepel worden aangepast aan de nieuwe financiële mogelijkheden. Dit neemt niet weg dat in de nu aangenomen voorstellen ook de mogelijkheid is ingebouwd om tijdig tot vermindering van een eerder overeengekomen percentage over te gaan.

Twaalf jaar

Het eventueel gedwongen vertrek na twaalf jaar, dat bij de start van Kerk 2025 en ook bij vervolgrapportages voor nogal wat beroering zorgde, is verdwenen. Wel zal de mogelijkheid geopend worden om na twaalf jaar met wederzijdse instemming uiteen te gaan. Dat kan nu niet. Waar op dit moment bij een losmaking de landelijke kerk de kosten voor de wachtgelden voor haar rekening neemt, is het bij een losmaking met wederzijdse instemming enerzijds de gemeente die moet gaan betalen en anderzijds de vertrekkende predikant die met minder (lang) wachtgeld genoegen moet nemen. Door de voorwaarden is uitgesloten dat het een soort vervroegd pensioen gaat worden.

Vrijheid

Theologisch zet het rapport sterk in op het begrip roeping. Daar is veel voor te zeggen, omdat in de Romeinse artikelen van de kerkorde het gemeente-zijn en in dat kader ook de ambten met behulp van dit begrip verankerd zijn. Opmerkelijk vind ik dat een ander begrip, ‘de vrijheid van het ambt van predikant als dienaar des Woords’ (ord. 3-5-2), slechts in beperkte mate terugkomt. Nu is dit om arbeidsrechtelijke redenen in de kerkorde opgenomen, om mede te vermijden dat een wereldlijk rechter in voorkomend geval zou uitspreken dat een predikant een arbeidsovereenkomst heeft, maar ik meen dat er een bredere betekenis aan gegeven moet worden. De predikant heeft een zekere vrijheid nodig om zo nodig ook als ‘tegenover’ (vgl. Waar een Woord is (…), p. 28) van de gemeente te kunnen functioneren. Ik besef dat die vrijheid betrekkelijk is. Een vrijzinnige predikant kan in een confessionele gemeente niet gedijen. Maar binnen zekere grenzen is het goed als een predikant tegengas kan geven. Ik krijg de indruk dat dit aspect dat naar mijn idee zo wezenlijk is het voor een protestantse ambtsbeschouwing – het is immers geen ongebreidelde vrijheid, maar een die gebonden wordt door het Woord – aan belang aan het inboeten is. De predikant is hoe langer hoe meer een gewone werknemer aan het worden. Dat bijvoorbeeld jaargesprekken geen functioneringsgesprekken mogen heten (vgl. ord. 4-8-6a), doet naar mijn idee aan deze observatie niets af. De praktijk is steeds meer een andere. In de nota ontbreekt het aan een integrale beschouwing van de vrijheid van de predikant. De predikant aanvaardt een beroep in vrijheid (p. 12), hij is vrij om een gemeente te verlaten (p. 4). In deze beide passages beperkt de vrijheid zich tot die situaties waarin ze behulpzaam is voor het doel van het rapport: bevorderen van de mobiliteit. Hoort bij vrijheid ook niet wezenlijk de keuze om ergens te blijven, of om voor een beroep te bedanken? In een derde passage wordt de vrijheid van de predikant wat uitgebreider aan de orde gesteld (p. 4v), maar is de toon nogal defensief. Een gesprek van de kerkenraad of de classispredikant met een predikant over mobiliteit is ‘niet in strijd’ met de genoemde vrijheid. Met een eerlijke en stevige beschouwing over de vrijheid van het ambt had het rapport ‘Naar een cultuur van mobiliteit’ aan geloofwaardigheid en overtuigingskracht gewonnen.

Predikanten in algemene dienst?

Tenslotte valt op dat één punt uit Kerk 2025: Waar een Woord is, is een weg met betrekking tot mobiliteit op de achtergrond is geraakt. Dat betreft de predikanten in algemene dienst, bijvoorbeeld ten bate van het landelijk dienstencentrum. We lazen: ‘Het ambt van een predikant is voor het leven, maar de binding aan een gemeente (of als predikant in algemene dienst aan de landelijke kerk) is tijdelijk.’ Als beleid werd indertijd geformuleerd: ‘Een aparte vraag is nog hoe bovenstaande zich verhoudt tot predikanten in algemene dienst.’ Die vraag is, als ik het goed zie, niet beantwoord. Voor hen dus niet het toen voorgestelde ‘maximum van twaalf jaar’ als ‘voor de hand liggende termijn’. Misschien dat dat er op enig moment nog van gaat komen, al heeft de kerk door het thans voor hen gehanteerde wereldlijk recht haar handen minder vrij.