kerk en recht

Ambtelijke vertegenwoordiging bij een uitvaart

Met enige regelmaat komt de vraag rond de ambtelijke vertegenwoordiging bij een uitvaart terug, zij het in verschillende gestalten. Bijvoorbeeld: moet een uitvaart onder leiding van een predikant vanuit het kerkgebouw van de gemeente beschouwd worden als een kerkdienst? Of: is het nodig dat er meerdere ambtsdragers aanwezig zijn bij een uitvaartdienst?

De kerkorde

Ik geef hier een korte schets. De kerkorde van de Protestantse Kerk lijkt op het eerste gezicht erop aan te sturen dat het bij een rouwdienst om een echte kerkdienst gaat, mét ambtsdragers dus (vgl. ord. 3-9-1 jo 5-1-2 jo m.n. 5-1-5). Wie wat beter kijkt, ziet dat het veeleer om een mogelijkheid gaat. Gemeenten zijn gehouden kerkdiensten te houden op ‘de zondag’ en ‘de kerkelijke feest- en gedenkdagen’ (ord. 5-1-1). Vervolgens kán de gemeente tevens samenkomen ‘in kerkdiensten ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen in het leven van de gemeenteleden (…) zoals (…) diensten van rouwdragen en gedenken’ (ord. 5-1-2).  Het Dienstboek van de PKN bevestigt dit. Nadrukkelijk behoort ook een gebedsdienst tot de mogelijkheden, al wordt dat wel een ‘sobere bijeenkomst’ geacht (vgl. DB II, p. 882v en 912vv). Op een gebedsdienst is ord. 5-2-1 van toepassing: het is ‘een getijdendienst onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad’ waarop ord. 5-1-5 niet van toepassing is. Die bepaalt dat de verantwoordelijkheid van de kerkenraad ‘tot uitdrukking wordt gebracht in de ambtelijke aanwezigheid van leden van de kerkenraad naast de voorganger’. Dat hoeft dus niet in een getijdendienst. Daarbij komt verder dat alle ‘leden van de gemeente kunnen worden uitgenodigd in deze dienst voor te gaan’ (ord. 5-2-1). De begeleidende tekst van het DB II lijkt deze consequenties overigens niet te trekken: ‘Bij alle uitvaartdiensten wordt de gemeente vertegenwoordigd door een ambtsdrager.’ (p. 881) Dat lijkt me echter in strijd met het eigen karakter van een getijdendienst, zoals ik dat hiervoor schetste en dat ook in DB I (p. 951 ev) wordt beschreven. Kennelijk is het de bedoeling een getijdendienst te onderscheiden van een gebedsdienst. Persoonlijk vind ik dat gekunsteld. Het is in DB II (p. 916) dan wel weer consequent dat aan het slot van de gebedsdienst bij een uitvaart in drie van de vier gevallen een ‘ambtelijke’ zegen staat vermeld (u ipv ons), een wezenlijk verschil met de gewone gebeds/getijdendiensten van DB I.

Historisch perspectief

Het is bij dit alles goed om te beseffen dat de rouwdienst vanuit de kerk pas na de Tweede Wereldoorlog echt opgang heeft gemaakt. Daarvoor kwam men voorafgaande aan de begrafenis samen in het huis van de betrokkene of in een zaaltje, soms om praktische redenen in de kerk. Van een kerkdienst was geen sprake. Deze traditie ligt in het verlengde van de Dordtse Kerkorde waarin het verboden was om lijkpredikatiën te houden, voorzichtig als men was met teveel eer voor de (overleden) mens. De Hervormde kerkorde zweeg op dit punt. Wel had het Hervormde dienstboek een orde voor de uitvaart van de ‘huisgemeente’ (p. 320vv), maar dat was daarmee een niet-ambtelijke dienst. De Gereformeerde kerkorde formuleerde voorzichtig, in het hoofdstuk dat gewijd was aan de herderlijke zorg (!), in art. 87 dat de kerk eraan mee zou werken dat iemand op ‘christelijke wijze’ begraven zou worden. Dat sloot iets dat leek op een kerkdienst niet uit.

Conclusie

1) Het is mogelijk, maar niet verplicht om in het kader van een uitvaart een kerkdienst te houden, met de daarbij horende verplichtingen, zoals een bevoegde voorganger en een ambtelijke vertegenwoordiging.

2) Strikt genomen moet de ambtelijke vertegenwoordiging uit tenminste twee personen bestaan (ord. 5-1-5 spreekt van ‘leden van de kerkenraad’, in meervoud dus).

3) Het is mogelijk een gebedsdienst te houden, waarbij de onder 1) genoemde verplichtingen vervallen. Naar de letter van het Dienstboek mag de niet-ambtelijke voorganger dan ook de doorgaans aan predikanten voorbehouden ambtelijke zegen uitspreken.

4) Ik vind dat bij dit alles niet alleen naar de regelgeving, maar ook naar de inhoud gekeken moet worden. De ruimte in de vormgeving van een gebedsdienst is duidelijker groter dan bij een kerkdienst. Als de bijeenkomst echter lijkt op een kerkdienst – indicaties daarvoor zijn onder meer dat het gebouw de kerk is, de voorganger een predikant – dan lijkt het me aan te bevelen om ook verder de regels voor een kerkdienst te volgen, dus mét een ambtelijke vertegenwoordiging. Praktisch gezien zal het niet altijd even makkelijk zijn om (tenminste) twee ambtsdragers beschikbaar te hebben. Dan is een nog altijd beter dan geen. Die ene kan recht doen aan het feit dat de kerkenraad zich betrokken weet bij en verantwoordelijk voor de uitvaart van dit gemeentelid. Ook een consistoriegebed is als het even kan op zijn plaats, soms is er de mogelijkheid dat ter voorbereiding in aanwezigheid van de directe nabestaanden uit te spreken. Zowel de ambtelijke vertegenwoordiging als dit voorbereidingsgebed geven extra uitdrukking aan het feit dat voorganger en nabestaanden er in dit uur van afscheid niet alleen voorstaan. Alleen al daarom is het in dit geval – net als bij vele andere – meer dan uitvoering geven aan een kerkordelijk voorschrift.