kerk en recht

Beroepen of benoemd

De Protestantse Kerk kent een steeds breder scala aan pastorale professionals. De gemeentepredikant heeft historisch gezien de beste papieren en is nog altijd de meest voorkomende. Daarnaast hebben echter vanaf de jaren ’50 pastoraal werkers in verschillende gedaanten hun intrede gedaan. Die bestaat inmiddels ook in verschillende varianten, met en zonder sacramentsbevoegdheid. In dit verband moeten ook de ouderlingen en diakenen genoemd worden die in het kader van ord. 2-18, gemeenten in bijzondere omstandigheden, ambtswerkzaamheden verrichten, al komt dit in de praktijk nauwelijks voor. Verder moeten nog de pioniers genoemd worden, al zijn die niet direct in de huidige kerkorde terug te vinden.

Termijn

Predikanten worden beroepen. De regel is dat de verkiezing plaats vindt door de gemeente (ord. 3-4-5), al is in nogal wat vanouds Hervormde Gemeenten het gebruik gehandhaafd dat de kerkenraad verkiest (vgl. ord. 3-4-7). Een kerkelijk werker wordt in de regel verkozen tot ouderling/diaken (ord. 3-12-6). Dan is er nog niet zoveel aan de hand. Maar dit gebeurt niet altijd. In dat geval besluit de kerkenraad besluit. Toch is er een wezenlijk verschil met de situatie dat de gemeente een predikant beroept. Na de verkiezing moet dan de verkozene aan de gemeente worden voorgesteld. Die kan dan bezwaren indienen ‘tegen de gevolgde verkiezingsprocedure’ (ord. 3-4-10), zij het dat dat binnen vijf dagen na de bekendmaking dient te gebeuren. Iets dergelijks geldt als een kerkelijk werker zijn verkiezing in het ambt aanvaard heeft en dit besluit aan de gemeente wordt bekend gemaakt (ord. 3-12-7 jo 3-6-7). Bij de benoeming van een kerkelijk werker zonder ambt is evenwel sprake van de reguliere bezwaartermijn van 30 dagen. Het gaat in diens benoeming immers om een regulier besluit.

Vertrouwen

Nu laat zich goed verdedigen dat een kerkenraad de gemeente kent en hoort over het benoemen van een kerkelijk werker. Art. VI lid 5 bepaalt namelijk: ‘De kerkenraad neemt geen besluiten in aangelegenheden die voor het leven van de gemeente van wezenlijk belang zijn, zonder de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord te hebben.’ De ordinanties beperken dit tot een specifiek aantal situaties (zie m.n. ord. 4-7-2, 4-8-7). Zeker als de kerkelijk werker de enige pastorale professional is, lijkt kennen en horen me evenwel op z’n plaats. Dat is een zaak van zorgvuldigheid. Het zou bovendien vreemd zijn als bij bepaalde zaken rond kerkelijke gebouwen kennen en horen wel geboden is (vgl. ord. 4-8-7) en rond mensen die een (vertrouwens)positie in gaan nemen niet. Dat valt ook theologisch (bijna) niet te verantwoorden.

Om het nog wat verder te compliceren. In toenemende mate worden ook predikanten niet beroepen maar benoemd. Ik doel dan op de situatie waarin er sprake is van hulpdiensten, zoals in ord. 3-24-2 en -3 (in geval van ord. 3-24-3 in de volksmond vaak detachering genoemd). Natuurlijk, een predikant wordt in beginsel voor onbepaalde tijd beroepen. Bij hulpdiensten gaat het altijd om getermineerde dienstverbanden van ten hoogste (steeds) vier jaar. Ook maakt een dergelijke predikant doorgaans geen deel uit van de kerkenraad (behoudens art. 4-6-7), al zal hij vaak wel actief bij het kerkenraadswerk betrokken zijn. Deze verschillen rechtvaardigen op zich een wat minder zware procedure. Toch is het ergens wel vreemd. Het werk dat hij – of zij – doet, is vrijwel hetzelfde. Ook waar het gaat om wederzijds vertrouwen verschilt de situatie niet wezenlijk. Toch zijn er wezenlijk van elkaar verschillende procedures.

Risicovol

Of het nu gaat om kerkelijk werkers of predikanten die hulpdiensten verrichten, in beide gevallen vind ik de lange tijd voordat een benoemingsbesluit onaantastbaar geworden is, bezwaarlijk voor de betrokkenen. Het is bovendien risicovol voor de betrokken gemeenten. Ik vermoed dat in verreweg de meeste gevallen de arbeidsovereenkomst snel na de benoeming getekend wordt. Wat als iemand daarna nog in bezwaar gaat en in het gelijk gesteld wordt? Het zal zo’n vaart niet lopen, maar toch!

Verkorte termijn?

Ik neig ertoe om bij de benoeming van kerkelijk werkers en dergelijke zonder ambt de bezwaartermijn te willen verkorten, tot bijvoorbeeld de vijf dagen van de verkozen predikant. Nadeel is wel dat de kerkorde er weer een beetje dikker van wordt. Bovendien wordt het verschil tussen kerkelijk werker en predikant weer een beetje kleiner. Dat maakt de in een vorige blog bepleite helderheid inzake het ambt  alleen maar noodzakelijker. Voor predikanten die hulpdiensten verrichten ligt dat weer net even anders: het verschil tussen beroepen en benoemd wordt kleiner, maar het gaat daarbij om twee verschillende manieren waarop ambtelijke status arbeidsrechtelijk wordt ‘gevuld’. Hiermee zijn we er overigens nog niet. Want waar ligt de grens voor zo’n verkorte bezwaartermijn? Geldt die ook voor pioniers, voor kosters, kerkmusici? Of zou die alle benoemingen in betaalde functies moeten gelden?